Overpopulation Awareness is de website van Stichting De Club van Tien Miljoen

Slide background

De wereld is te klein voor ons

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Druk hè!?

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Een goed milieu begint met de aanpak van overbevolking

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Ga heen en vermenigvuldig u niet

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Grenzen aan de groei

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Hoe meer zielen, hoe meer file

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Mensen met kinderwens zijn dubbel verantwoordelijk voor de toekomst

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Overbevolking = overconsumptie

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Stop de uitputting en vervuiling van de aarde

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Te weinig welvaart voor teveel mensen

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

We houden van mensen maar niet van hun aantal

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

We kunnen de mensheid niet op haar beloop laten

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

vrijdag, 05 maart 2010 12:55

Criteria

Verantwoording

De Stichting De Club Van Tien Miljoen probeert door middel van bewustmaking een maatschappelijk draagvlak te scheppen voor een bevolkingsbeleid in Nederland en in de andere landen van de Europese Unie. Voor Nederland is het streefgetal vooralsnog tien miljoen inwoners.
Binnen de Stichting heeft de criteriacommissie aan de hand van bestaande onderzoekgegevenscriteria geformuleerd voor een bevolkingsbeleid.

Een onderzoek als dit is per definitie speculatief van aard. Experts op het gebied van de problematiek van de overbevolking bestaan nauwelijks. Niet alleen veel systematisch vergaarde en betrouwbare gegevens van verschillende organisaties spreken elkaar tegen. Ook de manieren waarop deze gegevens zijn verkregen verschillen sterk van elkaar. 

De kwaliteit van het leven op aarde van zowel mens, dier als plant staat hier in dit werk centraal. Wij zien dit werk als een aanzet tot een studie naar de mogelijkheid van het beheren van de planeet Aarde, waarvan de ecologische draagkracht allesbepalend is voor het menselijk handelen.
Zelfs als het niet mogelijk is goede criteria op te stellen, dan is het nog altijd beter minder goede criteria te hebben dan helemaal geen, want de huidige wereldbevolking van ongeveer zes miljard mensen neemt nog steeds snel toe en de draagkracht van de Aarde wordt steeds meer aangetast. Europa speelt hierin een belangrijke rol.
 
1. Inleiding
2. Welzijn en levensstandaard
3. Minimale bevolkingsomvang
4. Maximale bevolkingsomvang
5. Optimale bevolkingsomvang
6. Essentiële criteria
7. Energie
8. Water
9. Beschikbare landbouwgrond
10. Schattingen over voedsel
11. Biodiversiteit en optimale verspreidingsdichtheid
12. Ecologisch productief land
13. Voedseltransport
14. Speciale criteria
15. Vrijheid
16. Mobiliteit
17. Recreatie
18. Draagvermogen
19. Afsluiting
 
1. Inleiding
Het wetenschappelijk oordeel over de dreigende werkelijkheid van een bevolkingscrisis is nagenoeg unaniem. De 'Union of Concerned Scientists' (www.ucsusa.org), een vereniging van bezorgde beoefenaars van wetenschap heeft een pamflet uitgegeven getiteld 'World Scientists Warning to Humanity' (http://deoxy.org/sciwarn.htm ), waarin wordt opgemerkt, dat de verwoestende activiteit van de mens waarschijnlijk het leven in zijn huidige vorm op aarde onmogelijk zal maken. Het pamflet is getekend door bijna 1700 beoefenaars van wetenschap, onder wie de helft van alle Nobelprijs-winnaars.
Er zijn echter machtige religieuze, politieke en economische krachten die zich verzetten tegen een oplossing van het overbevolkingprobleem. Door deze krachten wordt ontkend dat de bevolkingsgroei uiteindelijk de hoofdoorzaak van vele en uiteindelijk misschien wel van alle problemen in de wereld is. In ieder geval vormt de voortschrijdende overbevolking één van de grootste bedreigingen van de kwaliteit van het leven van mens, dier en plant. Focussen op het onderwerp overbevolking betekent daarom nog niet, dat alle andere problemen daarmee gene­geerd worden.
 
De houding van overheden ten aanzien van overbevolking is vaak verschillend. Het 'Population Reference Bureau' in Washington publiceert ieder jaar een 'World Population Data Sheet' ( www.prb.org and www.census.gov) . Hierin staan de opvattingen van overheden t.a.v. de eigen bevolkingsomvang. In de uitgave van 1995 worden 40 Europese landen vermeld. 24 landen vonden hun aantal kinderen per vrouw 'bevredigend' (Spanje noch Italië vonden 1,2 kind per vrouw te laag), 15 landen vonden hun kindertal 'te laag'. Alleen Macedonië vond haar geboortecijfer van 2,2 te hoog.
 
In het verleden zijn er in Groot Brittannië (1949), de Verenigde Staten (1972) en Nederland (1977, Muntendam) door regeringscommissies rapporten uitgebracht over het bevolkingsvraagstuk. In alle gevallen was de teneur: streven naar een constant dan wel lager bevolkingsaantal. De conclusies waren echter politiek niet gewenst en de rapporten verdwenen in de bureauladen. De politiek in de Europese landen is wel bezorgd, maar enerzijds slechts over het aantal kinderen per vrouw met betrekking tot de ongunstige verhouding tussen actieven en inactieven en anderzijds slechts over een tekort aan werkenden. Jeremy Rifkin toont in zijn boek de 'Derde Industriële Revolutie' aan, dat die laatste bezorgdheid niet op zijn plaats is. Er zal in de eenentwintigste eeuw juist veel ongebruikte menselijke arbeid zijn: werkeloosheid dus.
 
De bevolkingsgroei is reeds, dan wel op zeer korte termijn, een grote plaag voor de hele wereld, zowel voor de mensen zelf als voor de dieren en de planten. Iedere dag komen er wereldwijd 250.000 mensen bij: dit is één miljoen mensen per vier dagen of 90 miljoen mensen per jaar. De wereldbevolking bedroeg
 
1820: 1 miljard
1930: 2 miljard
1960: 3 miljard
1977: 4 miljard
1987: 5 miljard
1999: 6 miljard
2011: 7 miljard
 
Zolang deze plaag over de wereld raast, is alle gepraat over duurzaamheid niet meer dan een theoretisch bouwsel. Het is een drogreden om te zeggen, dat de moeilijkheden in de verschillende landen niet te wijten zijn aan overbevolking.
Nederland en Japan zijn toonbeelden van dichtbevolkte en tegelijk welvarende samenlevingen. Maar deze hooggespecialiseerde industriële naties zijn afhankelijk van massale importen van grondstoffen en voedsel uit de rest van de wereld. Ieder land heeft een economisch, een buitenlands en een financieel beleid. Het is de hoogste tijd om openlijk te spreken over de noodzaak van een bevolkingsbeleid.
 
Bevolkingsbeleid dient zich niet alleen te beperken tot de groei van een bevolking wanneer die bevolking tegen zijn eigen fysieke grenzen aanloopt, zoals in China en India het geval is.
Het spectrum van een bevolkingsbeleid moet breed zijn. Het zou zich kunnen uitstrekken van overwegingen van eigenbelang, zoals gezond eten, tot bezorgdheid om het behoud van de natuur. Bevolkingsbeleid betekent bijvoorbeeld: minder huizen, minder verstedelijking, minder auto's, minder regels, minder misdaad, minder bio-industrie, minder vervuiling en ook minder druk op natuurgebieden en minder werkloosheid.
Ook het belang van meer landelijk gebied, meer ruimte, meer rust, meer natuur, meer schone stranden en rivieren mag in zo'n beleid best worden teruggevonden. Een belangrijke plaats voor de natuurlijke hulpbronnen mag natuurlijk ook niet ontbreken. Het gemeenschappelijk erfgoed en de belangen van de huidige en de toekomstige generaties zullen hier vanzelfsprekend ook essentieel deel van uit moeten maken.
 
2. Welzijn en levensstandaard
De factoren welzijn en levensstandaard bepalen de kwaliteit van het leven. Welzijn of geluk zijn begrippen die zelden of nooit in de politiek worden gebezigd. Voor de verbetering van het menselijk welzijn als zodanig wordt door overheden geen actie ondernomen. Verbetering van de levensstandaard draagt substantieel bij tot een groter welzijn. De behoefte aan een hogere levensstandaard wordt vaker ingegeven door een materiële noodzaak en minder door een immateriële behoefte. Een realistisch gegeven is dat vooral voor arme mensen groei in inkomen en uitbreiding van economische mogelijkheden een uiterst belangrijke voorwaarde is voor hun ontwikkeling als mens.
 
De vraag wanneer iemand gelukkig is of dat wordt, is een persoonlijke. Als vervolg op het overbekende “Primum vivere deinde filosofari” (eerst komt het eten dan de moraal/ethiek) heeft de psycholoog Maslow die volgorde van menselijke prioriteiten wetenschappelijk geformuleerd, een rangorde van behoeften. Dit wordt vaak voorgesteld als een piramide met de basale behoeften onderaan (http://en.wikipeadia.org/wiki/Maslow’s_hierarchy+of needs). De mens zoekt naar antwoorden op zijn belangrijkste vragen. De mens wil iets doen met zijn leven, hij wil vanuit zichzelf iets bereiken. Een mens heeft behoefte aan voedsel, waarvoor hij zal moeten werken. Vervolgens wil een mens het niet koud hebben, zoekt veiligheid, geborgenheid en een zekere mate van continuïteit in zijn leven. Ook een zinvolle invulling van zijn gedachtewereld is van belang. Vanzelfsprekend spelen allerlei psychologische factoren ook een rol. Doorgaans is er vaker sprake van menselijk welzijn naarmate meer van onze basisbehoeften worden bevredigd.
 
Het menselijk welzijn zelf is niet te meten. Criteria hiervoor ontwikkelen is dan ook onmogelijk. De levensstandaard kan wél worden gemeten. Het bruto nationale inkomen wordt hiervoor gebruikt als een soort sociaal-economische graadmeter. Het geeft een bepaalde mate van welvaart aan. Er bestaat inderdaad een relatie tussen een verhoging van het nationale inkomen en een verbetering van het welzijnsgevoel, zowel op macro- als microniveau. Maar onbetaald huishoudelijk werk en vrijwilligerswerk worden bijvoorbeeld niet verrekend in het nationale inkomen. Ook grondstoffen die aan de Aarde worden onttrokken, worden niet verrekend. Daarentegen tellen economische activiteiten die schade aan het milieu berokkenen wel mee als inkomsten; echter de schade zelf wordt slechts geteld, indien van herstelkosten sprake is.
Het nationale inkomen geeft dan misschien wel een bepaalde levensstandaard weer, maar niet de werkelijke waarde van de menselijke activiteiten. Dat aan de hand van het bruto binnenlands product (BBP) de kwaliteit van het leven en daarmee misschien iets van het menselijk geluk kan worden gemeten, lijkt ons dan ook geen juiste conclusie.
 
Er zijn ook specifieke manieren ontwikkeld om de levensstandaard (de kwaliteit) van het leven van de mens te meten. Een criterium, dat sinds 1990 wordt gehanteerd, is de Human Development Index (HDI) van de Verenigde Naties. Het is een poging het menselijk welzijn verfijnd te meten. (http://hdr.undp.org/en/). De methode kent een uiterst ingewikkelde manier van berekenen op grond van meer dan 500 gegevens, maar de index is uiteindelijk gebaseerd op drie cijfers: levensverwachting, gemiddeld onderwijsniveau en inkomen per hoofd van de bevolking.
In 1991 is een nieuwe indeling opgesteld voor het HDI, waarbij ook met het geslacht rekening wordt gehouden en vervolgens met de spreiding van inkomens.
Gemeten naar de zojuist genoemde criteria staan drie landen aan de top: Canada, Noorwegen en Zweden. Deze drie landen hebben één ding gemeen: een zéér lage bevolkingsdichtheid.
 
3. Minimale bevolkingsomvang
David Willey, de schrijver van het tot nu toe niet gepubliceerde ‘Optimum Population for Europe’ spreekt eerst over een minimum en dan over een maximum om tenslotte bij een optimum uit te komen. Het lijkt inderdaad zinnig om eerst de twee uitersten, een minimum en een maximum bevolking, te verkennen, opdat als beste compromis een optimum naar voren kan worden geschoven.
 
Wat kan het minimale aantal inwoners zijn als men streeft naar maximale voorwaarden of keuzes voor een goede kwaliteit van het leven voor iedereen, overal en altijd? Om te beginnen is een minimum- of maximum aantal voor een bevolking een tijdsafhankelijk gegeven. Hoe de situatie over honderd jaar zal zijn, is nu moeilijk vast te stellen.
 
Het is de vraag of een samenleving met weinig mensen economisch aantrekkelijk is. De economie van een land met weinig mensen heeft weinig afzetgebied, maar de belasting van het milieu en het verbruik van grondstoffen zijn ook navenant minder. Toch is het hebben van een minimum bevolking economisch misschien minder relevant. Veel bedrijven met geavanceerde productiemethoden zijn immers multinational of hebben mondiaal een brede basis van kopers voor hun producten. De conclusie lijkt te moeten zijn dat criteria voor een minimum aantal mensen per land of streek moeilijk zijn vast te stellen.
 
Het hebben van een bepaalde schaalgrootte in de nationale economie is het gevolg van een keuze. Maar wat doen weinig mensen met veel individuele koopkracht? Spelen zij een andere economische rol dan veel mensen met weinig individuele koopkracht? Anders gezegd: Koopt een half miljoen welvarende Nederlanders meer koelkasten dan twee miljoen arme Nederlanders? Of juist minder? Dat zal ook van de koelkasten afhangen.
Op plaatselijk niveau is een bepaald aantal klanten nodig om bijvoorbeeld een drogisterij in een dorp open te houden, en een groter aantal klanten om een meubelzaak in een stad draaiende te houden. Een minimum aantal afnemers is op regionaal en plaatselijk niveau wél een vereiste voor het instandhouden van economische activiteiten. Dit geldt niet op landelijk niveau. Maar hoeveel kunnen we in aantal achteruit met instandhouding van onze kwaliteit van leven, als ook de werkgelegenheid in het geding komt? Dat weten we op dit moment niet.
 
In hoeverre kan deveiligheid van een land worden gewaarborgd met een minimaal aantal mensen? Er zijn vele soorten bedreigingen, maar hoe minder mensen en hoe minder geconcentreerd die mensen leven, des te minder kwetsbaar is een land.
 
Men kan stellen dat een omvangrijke bevolking een land kwetsbaarder maakt, als het daardoor meer afhankelijk is van de import van voedsel en andere grondstoffen. Zo zouden de Verenigde Staten met de helft van de huidige bevolking niet afhankelijk zijn van olie uit het Midden Oosten.
 
Is de technische vooruitgang wel verzekerd bij een minimaal bevolkingsaantal?
Er wordt wel beweerd, dat een prikkel om te komen tot technische vernieuwing vaak het gevolg is van een noodzaak. Noodzaak zou vaak de moeder van de vindingrijkheid zijn. Eén van de prikkels die in het verleden hun uitwerking hebben gehad, is oorlogvoering. Een zekere mate van bevolkingsgroei zou ook de motor achter de technische vooruitgang kunnen zijn (geweest). Maar het valt te betwijfelen of technische vernieuwing het gevolg is van de prikkel die door de bevolkingsgroei wordt gegeven. Misschien ervaren sommigen de bevolkingsgroei als belastend en zien zij er brood in iets uit te vinden om het tij te keren. Anderen zien er wellicht een uitdaging in het probleem van de overbevolking het hoofd te bieden door uitvindingen die overbevolking draaglijk maken. Het is vrijwel zeker niet de behoefte van de individuele mens, die de technische vernieuwing teweeg heeft gebracht. Het lijkt andersom: de technische vernieuwing heeft de bevolkingsgroei mogelijk gemaakt en houdt zich zelf in gang.
De vraag die onbeantwoord blijft is of de westerse geïndustrialiseerde wereld, ook Nederland, concessies wil doen op het punt van minder (snelle) technische vernieuwingen ten gunste van een samenleving met een kleiner aantal mensen. Met andere woorden: kiezen voor minder mensen met zo nodig minder technische vernieuwing en wat minder luxe ten gunste van een hogere kwaliteit van leven en welzijn. Wij kiezen voor minder mensen ten gunste van een hogere kwaliteit van leven met misschien wat minder technische vernieuwing.
 
4. Maximale bevolkingsomvang
Een centraal begrip, afkomstig uit de ecologie, is de draagkracht. De draagkracht bepaalt de theoretische maximale dichtheid van de populatie van een gegeven soort die door de hulpbronnen van een gegeven gebied onderhouden kan worden, zonder dat er afbreuk wordt gedaan aan het vermogen van dat gebied om de betreffende soort in de toekomst te onderhouden.
 
Toepassing van dit begrip draagkracht door verschillende auteurs heeft een enorme variatie in schattingen van de maximale wereldbevolking opgeleverd al naar gelang de criteria die hierbij zijn gehanteerd. Door velen werd alleen gekeken naar het potentieel van de Aarde tot het voortbrengen van voedsel. Er werd voorbijgegaan aan factoren als energie, land, bodem, ruimte, ziekten, afvalverwerking, mineralen, bos, biologische diversiteit, stikstof en fosfor etc. Ook psychologische factoren zoals ruimte, geluid, rust en stilte worden zelden of nooit in bescherming genomen.
 
Er wordt erg veel gespeculeerd over criteria voor een maximale bevolkingsomvang. Zo zou bij een vegetarische leefwijze, zoals b.v. gepraktiseerd in Nepal, op de hele wereld een aantal van 12 miljard mensen gevoed kunnen worden. Terwijl met de leefgewoonten, zoals de V.S. die kennen, de hele wereld wellicht slechts 1 miljard mensen zou kunnen voeden. Bij het bepalen van de mate van duurzaamheid van deze Amerikaanse eetgewoonte speelt de factor energie een belangrijke rol. Die waarborgt namelijk constant een zekere levensstandaard. Levend op deze voet zou er op onze Aarde maar plaats zijn voor 2 miljard mensen.
 
Het begrip 'draagkracht' kan ook worden gedefinieerd in termen van hulpbronnen: hout, vis, landbouwgrond, het vermogen van het milieu om verontreinigingen te verwerken etc.
In deze gedachtegang zou men de draagkracht kunnen omschrijven alsecologische ruimte. Ieder mens zou gelijkelijk moeten kunnen consumeren in de mondiale ecologische ruimte. Volgens deze definitie zouden wij met de term 'maximale bevolkingsomvang' het aantal mensen bedoelen dat bij een bepaalde levensstandaard de voor hen beschikbare ecologische ruimte volledig benut.
 
5. Optimale bevolkingsomvang
Maar wat maximaal haalbaar is, hoeft nog niet ideaal te zijn. Een land met een maximaal aantal mensen heeft misschien wél voor ieder een huis of een flat, maar wellicht geen ruimte meer voor een wandeling in de natuur. Een land waarin rekening wordt gehouden met de draagkracht van de natuur, een land dat die natuur, waar de mens een onderdeel van is, in al haar facetten in ere houdt, heeft een optimale flora en fauna. Zo zou ook voor een samenleving van mensen geformuleerd moeten worden wanneer en in hoeverre de kwaliteit van het menselijk leven, ook op de lange termijn, het best gegarandeerd is zodanig dat andere samenlevingen, de flora, de fauna en dat wat wij milieu noemen niet in gevaar komen, maar juist gerespecteerd worden. Dan dient er dus ook gekeken te worden naar het aantal mensen dat nodig is om optimaal te functioneren. Helaas wordt er maar al te vaak alleen naar de economische kanten van een zaak gekeken. De bevolking van een land heeft de meeste kans op een goede en blijvende kwaliteit van haar bestaan, indien zij geen schade hoeft te berokkenen aan mensen in andere landen, eigen reserves heeft aan voedsel, grondstoffen en andere elementaire zaken, ruimte heeft om zich geestelijk en lichamelijk te ontplooien, zich in de natuur kan verpozen, aan de druk(te), lawaai van het alledaagse bestaan kan ontkomen en daarmee aan volgende generaties een waardig bestaan nalaat. Alles wat voor mensen geldt, zou ook voor dieren en planten moeten gelden. Wij spreken dan van een optimale bevolking.
 
De optimale bevolkingsdichtheid ligt tussen het minimum en het maximum, maar dichter bij het minimum. Zij impliceert in onze definitie een billijke spreiding van welvaart onder alle wereldburgers, in tegenstelling tot wat thans het geval is. Als we inderdaad voor de miljarden mensen, wier consumptieniveau nu erg laag is, een rechtvaardige verdeling willen, dan zullen we in onze berekeningen van een veel grotere consumptie per hoofd uit moeten gaan dan het huidige gemiddelde. Hierdoor komen we uit op verrassend lage waarden voor een optimale bevolkingsdichtheid. Voor een aantal onderwerpen zijn voorzichtig criteria ontwikkeld.
 
6. Essentiële criteria
Er wordt hier onderscheid gemaakt tussen essentiële en speciale criteria.
Essentiële criteria stellen grenzen aan het maximum aantal mensen in relatie tot zekere grondstoffen die onmisbaar zijn voor het menselijk leven. Sommige van deze criteria zijn mondiaal, andere slechts regionaal of landelijk vast te stellen. Enkele voorbeelden van deze grondstoffen zijn energie, water en landbouwgrond. Bij deze voorbeelden en de daarbij naar voren komende berekeningen is uit de aard der zaak uitgegaan van de huidige stand der techniek. Er worden geen speculaties aangegaan t.a.v. nog niet gedane uitvindingen om de gesignaleerde problemen op te lossen.
Het doel is met gebruik van de huidige mogelijkheden en middelen een redelijke schatting te maken van een wereldbevolking met een menswaardig bestaan. Mochten zich in de toekomst ontwikkelingen voordoen, die een hoger aantal mensen rechtvaardigen dan waar nu toe gekomen wordt, dan kan alsnog tot gereguleerde groei besloten worden. Andersom redeneren of speculeren heeft inmiddels geleid tot de aan de orde gestelde problemen en is o.i. catastrofaal.
 
Speciale criteria dienen als graadmeter voor die dingen die niet onvoorwaardelijk noodzakelijk zijn voor het menselijk leven, maar die het leven een stuk aangenamer maken. Ook deze criteria zijn vaak slechts regionaal op te stellen. Zij worden verderop in de tekst behandeld.
 
7. Energie
De toename van het gebruik van fossiele brandstoffen zoals olie, gas en steenkool, gedurende de laatste 140 jaar, is voor 50% te wijten aan de toegenomen behoefte van de mens en voor de andere 50% aan de groei van de bevolking. De toename van het gebruik van deze energiebronnen heeft geleid tot veel verontreiniging van lucht, water en grond. Het voortdurend gebruik van steenkool, gas en olie als brandstof is nog slechts een kwestie van tijd. Het raakt op den duur gewoon op.
Het gebruik van zonne-energie vergt veel land. Volgens David Pimentel in zijn ‘Renewable Energy’ uit 1994 zou ruim 20% van het totale Europese landoppervlak nodig zijn om alle benodigde energie van de zon te kunnen betrekken. Windenergie vergt ook veel landoppervlak. Voor hout als energiebron is eveneens veel oppervlakte aan land nodig en bij voortdurend gebruik van hout is de houtvoorraad snel verdwenen.
Over de veiligheid van het gebruik van kernenergie en in de toekomst mogelijk kernfusie is nog steeds het laatste woord niet gesproken.
 
Intussen groeit de wereldbevolking gestadig door tot naar schatting 10 miljard mensen in 2050.
Voor het totale wereldenergieverbruik was in 1994 nog 15 miljard TWh nodig. Volgens John Holdren, energiewetenschapper aan de universiteit van Californië, zal dat verbruik in 2050 gestegen zijn verdubbeld.
 
Het huidige totale energieverbruik in de ontwikkelingslanden is gemiddeld 1 kWh per persoon per dag. Voor de Verenigde Staten is het 12 kWh en voor de overige geïndustrialiseerde landen 7,5 kWh. (Hier is niet meeberekend het gebruik van energie door de industrie.)
 
Kan de biosfeer wel 30 miljard TWh opbrengen? Grondstoffen zijn onvervangbaar en kunnen natuurlijk alleen door recycling behouden worden voor hergebruik. Maar om het behoud van ecosystemen te garanderen zou het energieverbruik volgens Paul Ehrlich, bioloog aan de Stanford University in Californië, wereldwijd niet boven de 6 miljard TWh per jaar uit mogen komen.
Bij een verbruik van 3 kWh per hoofd zou de wereldbevolking niet meer dan 2 miljard zielen mogen tellen. Dit eist dus een drastische afname van de wereldbevolking en/of haar energieverbruik. Volgens deze redenering zou slechts een derde deel van de huidige wereldbevolking kunnen worden voorzien in de behoefte aan energie, ervan uitgaande dat in de toekomst het energieverbruik voor iedere wereldburger gelijk is. In dit scenario zou Nederland dan met vijf miljoen inwoners een evenredig deel van ‘s werelds energiebehoefte voor zich opeisen, tenzij wij hier genoegen nemen met nog minder energieverbruik per inwoner.
 
8. Water
De beschikbaarheid van zoet water is één van de belangrijkste factoren voor de bevolkingsgroei op aarde. Bijna 10% van al het verdampte water, dat is ongeveer 49.000 km3, valt terug op het land als regen of sneeuw. Bijna 2/3 van alle op het land gevallen water stroomt via rivieren direkt naar zee. Het voor de mens beschikbare hemelwater wordt geschat op 9000 tot 14.000 km3 per jaar. (1 km3 = 1 miljard m3)
 
Voornamelijk door de bevolkingsgroei is de beschikbaarheid van water per hoofd van de bevolking gezakt van 16.000 m3 per jaar in 1950 tot 7.400 m3 in 1990. Er is sprake van een zeer ongelijke verdeling van water tussen de verschillende landen. IJslanders hebben nu meer dan 600.000 m3 water per hoofd per jaar van de bevolking tot hun beschikking, Koeweiti slechts 75 m3. China en Canada krijgen dezelfde hoeveelheid neerslag per hectare, maar gemiddeld heeft een Canadees 50 keer zoveel water tot zijn beschikking als een Chinees.
 
In de VS is het gemiddeld gebruik ruim 700 liter per persoon per dag. In Senegal nog geen 30 liter. Het persoonlijk gebruik van water stijgt bij toenemende welvaart. De Zweedse waterdeskundige Malin Falkenmark heeft normen opgesteld voor waterverbruik. Zo stelt hij dat 100 liter water per persoon per dag het minimum is om gezond te kunnen leven. Hij heeft ook andere normen voor waterbehoefte opgesteld. 2000 m3 water gemiddeld per hoofd van de bevolking per jaar is een voor de mens noodzakelijke hoeveelheid. Dit is inclusief gebruik voor landbouw en industrie. Als de hoeveelheid water daalt tot gemiddeld 1700 m3 per hoofd, is een waarschuwing geboden. Bij verdere daling beneden 1000 m3 wordt de gezondheid van de mensen en de economische ontwikkeling van het land geschaad. Deze Falkenmark-norm van 1000 m3 wordt gehanteerd door de Wereld Bank, die irrigatieprojecten subsidieert. Onder de 500 m3 is er sprake van absolute schaarste.
 
Watergebrek kan leiden tot conflicten tussen landen, die hun water uit dezelfde rivier putten. Sommige landen zijn volledig of in belangrijke mate aangewezen op rivierwater. Zo is Egypte voor 97% afhankelijk van de Nijl. Nederland haalt 89% van het drinkwater uit rivieren en Cambodja is voor 82% aangewezen op rivierwater. De kwetsbaarheid van deze landen is duidelijk.
 
Het alternatief voor regenwater is grondwater. Ook dit kan niet onbeperkt worden gebruikt. In Amerika wordt veel grondwater gebruikt voor allerlei doeleinden. Er moeten steeds zwaardere pompen worden gebruikt, totdat het op een gegeven moment niet meer rendabel is. De beschikbaarheid van goed water is in Nederland ook al een probleem aan het worden. Met oppervlakte-infiltratie alleen is de vraag allang niet meer bij te houden. Drie voorbeelden die aangeven hoe kosten noch moeiten worden gespaard om aan water te komen: in de duinen is men bezig met diepte-infiltratie, in Twente wordt het grondwater van een diepte van 20 meter omhoog gepompt en in de omgeving van Barneveld wordt water opgepompt dat 5000 jaar geleden als regenwater is gevallen.
 
Aangetekend moet worden, dat de kwaliteit van water ongelooflijk belangrijk is. Een grotere beschikbaarheid van water, in kubieke meters uitgedrukt, kan heel goed een verslechtering inhouden van de kwaliteit van het water. Bekend is hoe gemakkelijk vele ziekten door vuil water kunnen worden overgebracht. Zoals gezegd is de geschatte beschikbare mondiale hoeveelheid bruikbaar water ruwweg 10.000 miljard m3 of 10.000 km3. Uitgaande van een gebruik van 2000 m3 water per persoon zou een wereldbevolking van 5 miljard mensen optimaal kunnen leven. Bij 1700 m3 per hoofd, de waarschuwingsgrens, zouden in totaal net 6 miljard mensen kunnen leven maar dat is bepaald niet optimaal.
Maar omdat de watervoorziening zo plaatsafhankelijk is, kan een bevolkingsoptimum alleen regionaal of nationaal vastgesteld worden. Zo zou een land als Egypte van 70 naar 30 miljoen inwoners moeten dalen om haar inwoners optimaal te kunnen laten leven. Marokko zou van 30 naar 14 miljoen mensen, Polen van 39 naar 28 miljoen en Rwanda van 8 naar 3 miljoen mensen. Nederland van 16 naar 10 miljoen.
Overigens meldt M.Weld dat in sommige ontwikkelingslanden waar gebrek aan water en voedsel is, water dat gebruikt zou kunnen worden voor de landbouw, aangewend wordt voor de industrie.
 
Het is interessant te weten dat volgens mevrouw Sandra Postel minstens 1000 ton water nodig is om één ton graan van geïrrigeerde landbouwgrond te kunnen oogsten. Van alle bouwland in de wereld wordt 16% geïrrigeerd en die 16% levert 40% van de wereldproductie van graan op. In 1995 consumeerde de hele wereld indirect (via vlees) of direct 300 kg graan per hoofd. Het getal van 300 kg graan per hoofd zal minstens constant blijven, maar de bevolking groeit door van 5 naar 6 miljard mensen. Alleen al voor de jaarlijkse aanwas van 90 miljoen wereldburgers is een hoeveelheid van 27 miljoen ton graan nodig. Hiervoor is 27 miljard m3 water (d.i. 27 km3) extra nodig.
 
9. Beschikbare landbouwgrond
Er zijn verschillende pogingen gedaan om de landbouwproblematiek te kwantificeren. In het algemeen kan gesteld worden, dat vaste getallen ontbreken in de literatuur. Toch enkele cijfers. Vaclav Smil van de University of Manitoba heeft berekend, dat voor een voornamelijk vegetarisch dieet 0,07 hectare grond per persoon nodig is. David Pimentel van de Cornell University kwam tot 0,5 hectare per persoon voor een gevarieerd dieet bij gebruik zonder kunstmest en pesticiden. (1 km2 = 100 ha)
 
De FAO acht bijna alle grond geschikt als landbouwgrond zonder te letten op zaken zoals klimaat en kwaliteit van de grond. Marginaal land kan natuurlijk wel gebruikt worden om er gewassen op te telen, maar niet op duurzame wijze. Erosie en stofstormen nopen de boeren al snel tot verkassen. Zo ook is het kappen van oerwoud voor tijdelijk gebruik van de grond als veeweide geen duurzame oplossing.
 
Een standpunt over landbouwproblemen, dat fundamenteel afwijkt van wat de meerderheid vindt, zal het in de besluitvorming bij een VN-organisatie helaas bijna altijd moeten afleggen tegen een nietszeggend compromis van de 150 aangesloten regeringen. Zo zou volgens de FAO, die andere normen hanteert dan de betrokken landen zelf, Australië 49 miljoen hectare grond hebben die geschikt is voor landbouw en Canada 46 miljoen hectare. Met deze FAO-cijfers zouden er volgens de formule-Pimentel in Australië 98 miljoen mensen gevoed kunnen worden en in Canada 92 miljoen.
Organisaties in Canada zelf, die hun landbouwgrond in de drie categorieën goede, matige en slechte grond hebben verdeeld, komen daarentegen tot de conclusie, dat in feite slechts 4.1 miljoen hectare grond geschikt zijn voor landbouw. In Australië heeft men de landbouwgrond in vijf categorieën verdeeld en berekend, dat daar slechts 2,3 miljoen hectare grond geschikt zijn voor landbouw.
Met deze laatste cijfers zou er volgens Pimentel slechts plaats zijn voor 4,6 miljoen mensen in Australië.
Je zou bijna kunnen stellen, dat landen als Canada en Australië, die grote hoeveelheden graan exporteren, de morele plicht hebben hun bevolkingsaantal laag te houden. Tot wie anders immers zouden hongerlijdende landen zich moeten richten?
 
Als ook op Nederland de norm van David Pimentel zou worden toegepast, namelijk 0,5 hectare vruchtbare grond per persoon, dan hoeft alleen nog maar vastgesteld te worden hoeveel vruchtbare grond Nederland ter beschikking heeft voor de eigen voedselvoorziening, om uit te kunnen rekenen voor hoeveel mensen er hier een halve hectare grond beschikbaar is. Hierbij moet wel in aanmerking genomen worden dat veel vruchtbare grond nodig is als sportveld, als natuurgebied, als grond voor de teelt van exportgewassen en als grond voor de productie van zuivel voor de export.
 
10. Schattingen over voedsel
Er bestaat een enorme verscheidenheid aan opinies over de toekomstige behoefte aan voedsel. Gretchen Daily, wetenschappelijk onderzoeker van het Center for Conservation Biology van de Stanford University, heeft daar onderzoek naar gedaan. Het is tragisch, maar die enorme verscheidenheid aan opinies in de agrarische literatuur draagt bij tot een verlamming op politiek gebied. Geen enkele analyticus kan alle aspecten begrijpen van het complexe natuurlijke socio-economisch systeem waarin de landbouw is ingebed. Het gaat hier om aspecten zoals klimaat, bodem, hydrologie, energie, internationale handel, agrarische politiek, sociale- en economische politiek in het algemeen, technologie en cultuur. Het is nog moeilijker een geïntegreerd holistisch standpunt te formuleren voor zo'n gecompliceerd systeem als voedsel.
 
Optimisme
Een recente studie van de F.A.O. becijfert een voedselgroei van 1,8 % per jaar in de komende 20 jaar, een daling van het aantal chronisch ondervoede mensen in Zuid-Azië van 24% naar 12% en een toename van het voedselpakket van 2500 calorieën tot 3000 in Oost-Azië, het Nabije-Oosten, Noord-Afrika en Latijns-Amerika in het jaar 2010. De verwachting is ook dat in 2020 nog maar 650 miljoen mensen ondervoed zullen zijn tegen 800 miljoen nu. Over de toenemende erosie staat er niet veel te lezen.
Prof. Tim Dyson van de London School of Economics verwoordt het gematigde en cynische FAO-optimisme in zijn artikel 'Population and Food'. Maar ondanks de toename van de voedselconsumptie per persoon in de meeste regio's, zal volgens hem toch de gemiddelde consumptie per persoon op aarde blijven dalen, omdat de bevolking juist groeit in landen met de slechtste voedselsituatie.
 
Pessimisme
Volgens Lester Brown van het Worldwatch Institute stagneert de wereldvoedselproductie voornamelijk ten gevolge van drie dingen. Ten eerste is er een teruggang in de akkerbouw-arealen vanwege erosie en urbanisatie. Van de voortschrijdende ontbossing komt 80% voor rekening van de mens die op zoek is naar nieuwe landbouwgrond.
Ten tweede is er sprake van een teruggang in het gebruik van kunstmest waarvan steeds meer schadelijke effecten bekend worden. De intensieve landbouw is zeer afhankelijk van middelen als kunstmest, die merendeels uit eindig beschikbare fossiele grondstoffen worden vervaardigd en straks dus niet meer voorradig zijn. Ten derde wordt er een stagnerende beschikbaarheid van water voor irrigatie geconstateerd. Dit alles maakt dat de landbouwproductie over haar piek heen en dalende is.
 
Lester Brown noemt in zijn laatste boek China als een belangrijke testcase. Zelfs als het Chinese voedselpakket minimaal toeneemt met bijvoorbeeld één visje per week, betekent dat 1,2 miljard visjes per week extra. Zo`n geringe verbetering van een voedselpakket leidt tot gigantische gevolgen. Als de Chinezen per persoon evenveel vis zouden gaan eten als de Japanners, dan zou de visvangst in de hele wereld amper voldoende zijn om China van vis te voorzien. De Chinese vraag naar graan heeft nu al geleid tot een sterke toename van de wereldgraanprijs. De levensstandaard van China is snel stijgende. In economische termen zijn er nu vier China's waar er 17 jaar geleden nog maar één China was.
 
Bij het vaststellen van criteria voor een optimaal bevolkingsaantal zijn de volgende overwegingen van belang.
-Voor een dagelijks dieet, hoe dan ook samengesteld, zouden minimaal 3000 calorieën per persoon beschikbaar moeten zijn.
-De meeste levensmiddelen zouden uit locale productie afkomstig moeten zijn.
-Er zou voldoende voedsel in voorraad moeten zijn om een periode van schaarste door b.v. droogte te kunnen overbruggen en om misrekeningen op te vangen.
-De landbouw zou niet afhankelijk moeten zijn van eindige energiebronnen.
 
Gezien deze beperkingen lijkt het onwaarschijnlijk dat een optimale wereldbevolking groter zal kunnen zijn dan drie miljard mensen.
 
11. Biodiversiteit en optimale verspreidingsdichtheid
De laatste drie eeuwen heeft de mens een grotere bijdrage geleverd aan het verminderen van het aantal diersoorten. Van de tientallen miljoenen soorten zijn er 1,4 miljoen geklasseerd. Per jaar sterven er honderden soorten uit.
Biodiversiteit van ecosystemen is noodzakelijk voor het reguleren van de essentiële chemisch en fysische processen zoals het klimaat, afvalstoffenverwerking, hergebruik van essentiële voedingsstoffen, bestuiving van planten en bescherming tegen ziekten. Ook is biodiversiteit van ecosystemen noodzakelijk voor hulpbronnen als zoet water, teelaarde en de atmosfeer.
Edward Wilson heeft een beklemmende hypothese:’Indien insecten en andere op het land levende geleedpotige dieren ineens door een ramp zouden verdwijnen, zou de mensheid met de overige zoogdieren, de vogels, de reptielen en de amfibieën binnen enkele maanden uitsterven!’
 
Optimale verspreidingsdichtheid.
Op nogal arbitraire gronden komt Joel Cohen tot een gewenste verhouding van één Afrikaanse olifant per 1000 mensen en één blauwe vinvis per 8000 mensen. Een leuke poging om voor de dieren op te komen. Maar de consequentie van het creëren van voldoende leefruimte voor dieren als olifanten, tijgers en neushoorns in tropische gebieden zou kunnen zijn, dat mensen uit die gebieden naar elders zouden moeten verdwijnen om plaats te maken. Ook voor het overleven van bijvoorbeeld de Siberische tijger is in ieder geval een actie voor het behoud van één natuurreservaat niet voldoende. Bovendien, met populatie-eilandjes ontstaat inteelt vanwege gebrek aan genetische uitwisseling, nog afgezien van het feit, dat een geïsoleerde populatie door een of andere calamiteit in één klap kan verdwijnen. Maar wat voor grote dieren geldt, geldt mutatis mutandis ook voor kleine dieren en zelfs voor insecten. Zo hebben bepaalde keversoorten om te overleven lange verbindingsroutes nodig. Een hertenviaduct of een dassentunnel is als oplossing voor een bijdrage aan het behoud van de dierenwereld een goede zaak, maar een druppel op een gloeiende plaat. Evenmin is het verstandig te denken dat een watervogel wel om een met olie vervuild stuk zee zal heen vliegen om zijn vege lijf te redden. Hoeveel procent van onze grond reserveren wij in Nederland voor de wilde natuur? Beter gezegd hoeveel vierkante kilometer van ons grondgebied zou noodzakelijk zijn voor het in stand houden van een gezonde flora en fauna? Nog anders gezegd: hoeveel willen wij teruggeven aan de natuur van wat wij eerder hebben ingepalmd voor woningen en wegen? Het is een uitdaging deze rekensommen te gaan maken.
 
12. Ecologisch productief land
Het begrip 'ecologisch productief land' wordt in detail behandeld door Rees en Wackernagel in 'Our ecological footprints'. Het gaat over de natuurlijke stroom van 'goederen en diensten', die nodig zijn om het menselijk en dierlijk leven op aarde te onderhouden. Die stroom van goederen en diensten kan worden beschouwd als'inkomen uit natuurlijk kapitaal'. Ieder ecosysteem kan zelf met zijn eigen structuur en diversiteit een duurzame stroom van natuurlijk kapitaal verschaffen, dat bepalend is voor het leven in zo'n ecosysteem.
 
Hoeveel grond een mens nodig heeft om op een biologische en duurzame wijze te voorzien in zijn behoeften als verbruiker wordt bepaald door de verbruiksbehoeften van de mens. Deze verbruiksbehoeften zijn verdeeld in de volgende hoofdcategorieën: voedsel, huisvesting, transport, energie, gebruiksgoederen en diensten voor ontwikkeling en gezondheidszorg. Om in al deze behoeften te kunnen voorzien is land nodig. Het land dat nodig is om op basis van continuïteit alle verbruikte hulpbronnen te reproduceren en de ontstane afvalproducten te assimileren, noemen wij ecologisch productief land. Hoeveel ecologisch productief land een bepaalde menselijke samenleving nodig heeft, wordt gedefinieerd als de 'ecologische voetafdruk' en kan worden onderscheiden naar het type begroeiing en naar de capaciteit om het afval van de samenleving op te slaan of af te breken.
 Dankzij de technische vooruitgang hebben we onszelf meer ruimte geschapen en nu zijn we bezig die ruimte vol te maken. Nederland is daar een schoolvoorbeeld van.
 
Onze aardbol omvat 14,5 miljard hectare land en 36 miljard hectare zee. Na aftrek van de ijskappen, woestijnen, semi-aride streken en braak- of onvruchtbaar land blijft er 8,9 miljard hectare grond voor menselijk gebruik over. Delen we dit door het huidige aantal van 6 miljard mensen op de aarde dan komen we uit op 1,5 hectare beschikbare vruchtbare grond per inwoner. Per persoon en per type samenleving kan de behoefte aan land aanmerkelijk verschillen, maar er is een onmiskenbare trend in toename van de vraag naar 'levensruimte' per individu naarmate het inkomen stijgt.
 
De mens doet op de aarde en op haar vele hulpbronnen vaak een zwaarder beroep dan strikt genomen verantwoord is. Duurt een periode van onverantwoord en zwaar beroep te lang, dan is er sprake van roofbouw: het land wordt minder productief. In plaats daarvan zou de mens zijn natuurlijk kapitaal in stand moeten houden om van de rente te leven. De realiteit is dat een land als Nederland grotendeels van andermans kapitaal leeft. Nederland ‘gebruikt’ een oppervlakte land die vele malen groter is dan die van ons eigen land. De meeste westerse landen leven met zo’n te royale ‘voetafdruk’ behalve Noorwegen, Zweden en Canada.
 
Rees en Wackernagel stellen vast, dat de mens ongeveer 1 hectare land nodig heeft voor de ecologische productie van energie uit waterkracht, wind, zonne-energie of voor de aanplant van gewassen die fossiele brandstoffen vervangen. Als voorbeeld voor het laatste wordt ethanol genoemd. Eén hectare land zou genoeg ethanol kunnen opbrengen voor een energieproductie van 100 GJ per jaar. Met één hectare land zou in de energiebehoefte van 3kWh voor één mens kunnen worden voorzien. De opbrengst per hectare zou in het geval van hydro-elektriciteit en windkracht groter kunnen zijn en qua landgebruik zuiniger. Laten we 1 hectare voor ecologische energiewinning per mens reserveren.
 
Willey stelt vast dat circa 1 hectare (regen-)woud per persoon nodig is voor de absorptie van CO2 die ontstaat bij de energieopwekking door verbranding op een niveau van 100 GJ per jaar. Daarnaast is er natuurlijk de absorptie van CO2 door plankton en algen in de oceanen, wat naast de regenwouden een belangrijke ‘CO2 sink’ is.
Samenvattend stelt Willey, dat er per persoon 1 á 2 hectare land nodig is voor de voedselvoorziening én voor al wat verder noodzakelijk is voor het leven van de mens. Volgens deze globale redenering zou er in Nederland ruimte over zijn voor 5 á 7 miljoen mensen.
 
Indien we ons in een betere wereld zouden bekommeren om de ecologie, dat wil zeggen om het behoud van de aarde en het welzijn van de mensen, de dieren én de planten, dan zou de ecologische voetafdruk minstens 3 hectare per mens moeten zijn. Er blijven natuurlijk vele vage kanten aan zo’n redenering kleven, maar het geheel van gedachten geeft wel een duidelijke richting aan. Projecteren we deze getallen op de situatie in Nederland, dan merken we op, dat de huidige bevolking nu beslag legt op een landoppervlakte die 15 á 20 keer zo groot is als die van Nederland zelf. Volgens Rees en Wackernagel gaan de huidige aanspraken van de wereldbevolking op de grondstoffen en op de natuur de draagkracht van onze aardbol als geheel te boven.
 
13. Voedseltransport
De afstand tussen voedselproducent en voedselconsument wordt steeds groter. Appels uit New Zeeland bijvoorbeeld overbruggen een afstand van 22.000 km naar Engeland en ‘boontjes’ uit Kenia 6.400 km naar Engeland. Sinds 1978 is binnen Engeland de afstand van het goederenvervoer van producent naar consument met meer dan 50% gestegen. De toename van het wegtransport voor voedsel, drank en tabak is ruim 33%. Voor de meeste E.G.-landen is dat niet anders.
De transportkosten voor de scheepsladingen fruit vanuit New Zeeland naar het Belgische Antwerpen zijn geringer dan de kosten om diezelfde lading van Antwerpen naar Keulen te rijden. Het lange afstandtransport van voedsel kost erg veel energie. Dat transport is alleen mogelijk, doordat de kosten van de fossiele brandstoffen voor boot en vliegtuig heel laag zijn en niet de reële kosten van de verbruikte brandstoffen weergeven, hetgeen bij het transport op de korte afstand over de weg in aanzienlijke mate wél het geval is.
 
Het lange afstandtransport van voedsel vereist meer verpakkingsmateriaal dan het transport van voedsel dat geproduceerd is voor locale of regionale consumptie. Ongeveer tweederde van alle voedselverpakkingen voor de lange afstand is nodig ter bescherming en conservering van voedsel en drank. Andere kosten, die niet worden weergegeven in de prijs van voedsel, zijn de vervuiling van bodem, water en lucht in het exporterende land.
Als voorbeeld Braziliaans sinaasappelsap (Orange Juice). Voor elke ton sap uit Brazilië, geconsumeerd in Duitsland, wordt tenminste 25 ton materiaal gebruikt, inclusief 22 ton water en 0,1 ton brandstof . Als het Duitse consumptieniveau van sinaasappelsap door de hele wereldbevolking zou worden overgenomen, zou men 130.000 km² land nodig hebben voor de productie van al deze sinaasappelen. In Duitsland geproduceerd zwarte bessensap bevat evenveel vitamines als sinaasappelsap uit Brazilië. Maar voor zwarte bessensap worden veel minder hulpbronnen gebruikt, omdat dit sap wordt geproduceerd zonder of bijna zonder schadelijke stoffen. Voor zwarte bessen in Duitsland is geen irrigatie nodig en bij consumptie aldaar is er veel minder transport vereist dan voor sap uit Brazilië.
Om transport van voedsel te beperken zou productie van voedsel zoveel mogelijk in eigen land of in nabije regio's moeten plaatsvinden. Op die manier heeft een land of streek zelf wel méér km² landbouwgrond nodig dan wanneer veel gewassen worden ingevoerd. Met andere woorden: als Nederland bijvoorbeeld producten als sinaasappelen en kiwi’s niet meer importeert, zal de noodzaak van 0,5 hectare vruchtbare grond gemiddeld per persoon groter worden. Daar staat tegenover dat op verpakkingsmateriaal en op energie voor het vervoer van voedsel veel bespaard zou kunnen worden. Interessant, maar voorlopig ondoenlijk, zou het zijn te meten hoeveel verpakkingsmateriaal en energie een Nederlander nu gemiddeld per persoon minder zou kunnen verbruiken. Onthullend zou het antwoord zijn op de vraag in hoeverre er daardoor voor de minder bedeelde landen in de wereld meer energie beschikbaar zou komen. Of hoeveel bossen er minder gekapt zouden hoeven te worden.
 
14. Speciale criteria
Deze categorie criteria kan een vrijwel eindeloze lijst van onderwerpen bevatten, met name alles dat geacht kan worden de kwaliteit van het menselijk leven te beïnvloeden. De behandelde onderwerpen zijn dus niet meer dan een keuze uit de veelheid.
De lijst van de hier verzamelde onderwerpen hebben één doel, namelijk aantonen dat mensen door hun aantal de keuzemogelijkheden van zichzelf en van andere mensen beperken.
 
15. Vrijheid
De gegevens over vrijheid zijn hier grotendeels ontleend aan Jack Parsons, één der voorvechters van de stelling dat bevolkingsgroei eerder leidt tot vermindering dan tot vermeerdering van de individuele vrijheid. De vrijheid van iedere mens bestaat uit deelvrijheden, die in zekere mate met elkaar concurreren. Daarnaast geldt dat ieders vrijheid wordt beperkt door de vrijheid van anderen. Meer vrijheid aan de één toegekend of door de één toegeëigend kan inhouden, dat er daardoor minder vrijheid voor anderen is. Vrijheid is ook een kwestie van beoordeling, evenwicht en wederkerigheid en kan alleen ontwikkeld en uitgeoefend worden in een sociale context. Volgens John Stuart Mill heeft de samenleving zeggenschap (jurisdictie) over de individuele vrijheid. De centrale vraag die daarbij aan de orde komt is of het algemeen welzijn al of niet bevorderd wordt, wanneer de samenleving zich gaat bemoeien met de individuele vrijheid.
 
Een gevoelig punt is de ‘deelvrijheid’ om zich voort te planten. De bevolkingsgroei kan ten nadele zijn van veel andere deelvrijheden en kan in toenemende mate de meest fundamentele vrijheden aantasten. Tegen deze achtergrond bezien betekent bevolkingsplanning niet zozeer een inbreuk op de vrijheid zich voort te planten, maar eerder een veiligstellen van andere vrijheden. Het recht op voortplanting is heden universeel. Het gevolg is wel, dat de moderne maatschappij ineens weer tienduizenden woningen nodig kan hebben. Kinderen krijgen is ook vaak een kwestie van economische noodzaak, van godsdienstige aansporing, van behoefte aan een oudedagsvoorziening, van ideologische dwang of van financiële nood. Het moet mogelijk zijn het krijgen van kinderen op een billijke manier te sturen. In ieder geval is geboortebeperking afhankelijk van de meningsvorming daaromtrent. Er zijn in Nederland tijden geweest waarop het onderwerp geboortebeperking bespreekbaard was dan nu. In de tijd van het Muntendam Rapport in het midden van de jaren zeventig was dat ook zo.
De conclusies van dat rapport zijn nooit in beleid omgezet, omdat juist toen het effect van de pil begon door te zetten. Bovendien vergrootte religieuze angst voor gelegaliseerde abortus de weerstand tegen het Muntendam Rapport. Toen de multiculturele samenleving zich begon te ontplooien, werd geboortebeperking vanuit de korte termijn politieke visies ter zijde geschoven.
 
16. Mobiliteit
Zich snel en comfortabel met of zonder bagage kunnen verplaatsen geeft de moderne mens een gevoel van vrijheid. Die mobiliteit wordt echter beperkt door de groei van de economie, door het bevolkingsaantal en het autobezit zelf. Het wegennet kan het toenemende verkeer niet langer verwerken. Mondiaal groeit het autopark met 40 miljoen auto's per jaar tot thans 700 miljoen auto’s. In 1907 kwam men in New York met paard en wagen waarschijnlijk sneller vooruit dan thans per auto. Ook voor onze steden geldt steeds meer: wie haast heeft, neme de fiets. De groei van het wagenpark betekent in de steden meestal veeleer een vermindering dan een vergroting van onze mobiliteit.
Het lukt niet de mensen uit hun auto's te jagen. Compactere gemeenschappen ('indikken') met goede verbindingen tussen woning, werk en voorzieningen hebben meer effect. Het gaat dan niet om de mobiliteit op zich , maar om de bereikbaarheid.
De vrijheid die de eigen auto biedt, verdwijnt als het verkeer vastloopt op overbelaste wegen in een overbevolkt land. Hoe groot moet of mag de bevolking zijn, als men een redelijke mobiliteit wil handhaven?
Men kan berekenen hoeveel auto's het wegennet bij een bepaalde redelijke snelheid kan verdragen. Uitgaande van 2 man per auto kan men dan het beoogde optimum bepalen. Hoe dan ook: met minder mensen meer mobiliteit.
Een andere vraag is hoeveel kilometer weg maximaal aanvaardbaar is in een land? Anders uitgedrukt: hoeveel procent van de totale grond kan redelijkerwijs gebruikt worden voor het verkeer, zodat er nog voldoende grond overblijft voor natuur, wonen, werken en vrije tijd? Vroeger was er buiten de stad gewoon ruimte, wilde natuur, rust. Dit verlies aan immateriële waarden wordt natuurlijk niet ongedaan gemaakt door het opstellen van criteria. Pas als de Nederlandse bevolking massaal neen zegt tegen Schiphol, dan pas stopt de groei van de luchthaven. Maar dat stadium is pas bereikt, als er sprake is van een collectieve bewustwording.
 
17. Recreatie
In Engeland zijn 24.000 velden voor voetbal, rugby, hockey en cricket. Deze terreinen beslaan 61.000 hectare grasland, wat neerkomt op ongeveer 0,5% van het Engelse landoppervlak. Voor Nederland en voor andere Europese landen geldt ongeveer hetzelfde percentage.
De vraag naar golfterreinen legt steeds meer beslag op land. Een beetje golfclub in Engeland heeft 50 tot 100 hectare nodig en ook nog de nodige waterpartijen. Wat voor golf geldt is mutatis mutandis ook van toepassing op andere sporten.
In de VS was er tussen 1980 en 1990 een toename van 70% van het aantal golfclubs. In 1990 waren er 25 miljoen spelers in 15.000 golfclubs. De verwachting is dat er 4000 clubs zijn bijgekomen tegen het jaar 2000. In Engeland zijn er 2500 golfclubs met 2 miljoen spelers. In Japan zijn 12 miljoen golfspelers. Hoeveel zullen er straks in China zijn?
Gaat men ervan uit dat straks 10% van de wereldbevolking golft en dat per club van 2000 deelnemers 100 hectare nodig is, dan komt men uit op 300.000 golfclubs met 30 miljoen hectare land. Dit komt neer op 0,4 % van het totaal aan ecologisch productief land. Bij deze behoefte is met 2 miljard mensen de aarde vol.
 
Het houden van voettochten in de bergen kan ernstige gevolgen hebben voor het milieu. Veel schade wordt aangericht op populaire trektochten in de Hymalaya, in de Andes en in Afrika. Met name het rooien van bomen voor brandstof, die niet iedereen op een trektocht meeneemt, bevordert de erosie. Steeds meer mensen willen de bekende trekroutes naar de Mount Everest maken. Geschat wordt 25.000 trekkers per jaar. Over een periode van 80 jaar komen we dan uit op 2 miljoen mensen, die de Mount Everest beklimmen.
Als we ervan uitgaan, dat gezien inkomen, capaciteit en interesse van de mens, van iedere 500 mensen er één in zijn hele leven deze trip naar de Mount Everest wil maken en als we vinden dat het aantal van 25.000 mensen per jaar verantwoord is, dan zou dit slechts kunnen bij een optimale bevolking van 1 miljard mensen.
 
Iets minder schadelijk, maar wel heel populair is het skiën. De schade wordt hier veroorzaakt door het kappen van bomen voor skihellingen met erosie als gevolg, door de massale verplaatsingen per auto en vliegtuig, door het gebruik van sneeuwkanonnen, die vanwege het gebruik van zeer veel water veranderingen in de vegetatie teweegbrengen en vooral door het wijzigen van de infrastructuur voor de bouw van wegen en hotels. De huidige skicapaciteit van de Alpen komt ongeveer overeen met de Europese vraag van dit moment. De vraag is of de Alpen nu al niet aan de top van hun capaciteit zitten. Er zijn 8 miljoen Japanse skiërs die in hun eigen land niet goed uit de voeten kunnen en hoeveel Chinezen, Amerikanen en Indiërs zullen straks hun skiheil in Europa gaan zoeken?
Als je het percentage skiërs dat Europa kan hebben, alleen al afzet tegen de toenemende vraag uit Europa, dan zouden er in Europa niet meer dan 100 miljoen mensen mogen wonen.
 
Volgens de Wereldraad voor Reizen en Toerisme te Brussel is toerisme de grootste industrie ter wereld en groeit zij 23% sneller dan de wereldeconomie in het algemeen. In 1995 gingen 530 miljoen mensen naar het buitenland op vacantie en besteedden daar 321 miljard dollar. Men verwacht, dat in 2000 meer dan 20 miljoen Japanners een buitenlandse reis zullen maken. Een Japans bedrijf (Shimizu) heeft plannen voor een hotel op de maan en voor een ruimtehotel in een baan om de aarde.
Komt er een tweede Schiphol als luchthaven in de Noordzee? De impact van hotels, wegen en bedrijfsvoorzieningen op het milieu is onvoorstelbaar. Alleen al het hebben van zulke voorzieningen zuigt nog meer activiteit aan.
Sommige vakantiebestemmingen en toeristenattracties hebben de toevloed al moeten beperken vanwege de veroorzaakte schade. Men denke aan Stonehenge, Lascaux, Athene, Venetië en de koningsgraven van Egypte.
Nationale parken kunnen de toeristenstroom nauwelijks meer aan. De Grand Canyon ontvangt per jaar 4,7 miljoen bezoekers. De wachttijd voor een tocht per vlot over de Colorado rivier bedraagt 9 jaar. Britse landschapsparken maken noodgedwongen geen reclame meer voor zichzelf. De vraag is: hoe reken je voor al dit soort gebieden en/of evenementen het maximale of optimale aantal bezoekers uit?
 
18. Draagvermogen
Bij een lage bevolkingsdichtheid en een lage consumptie per hoofd van de bevolking is de uitwerking van menselijk handelen op het milieu gering te noemen. Zolang de milieueffecten van menselijk handelen betrekkelijk gering zijn, kunnen zij gemakkelijk worden opgevangen in natuurlijke processen zonder dat er op lange termijn een verstoring optreedt. Men kan dan spreken van een duurzame menselijke samenleving, die de draagkracht van het natuurlijke systeem niet overschrijdt en het milieu niet aantast.
 
Wanneer men nu voor een bepaald gebied, een land of een streek, de consumptie per hoofd van de bevolking [C] vermenigvuldigt met de belasting op het milieu [T] en het resultaat daarvan weer vermenigvuldigt met het aantal consumenten in zo’n land of regio [P], dan verkrijgt men de totale milieubelasting voor een hele streek of regio, de impact [I]. De formule is dan P x C x T = I.
 
Beperking van de consumptie per hoofd lijkt niet erg realistisch gezien de verwachtingen hieromtrent. Van de armen kan met goed fatsoen niet gevraagd worden de broekriem nog verder aan te halen. De aanstormende middenklassers zoals de Chinezen willen gewoon hun ijskast, auto en wasmachine. De rijken in het Westen willen geen stapje terug doen, maar zijn juist gericht op economische groei en verbetering van hun koopkracht. Volgens Norman Myjers wordt vermindering van consumptie alleen geaccepteerd, indien dit gepaard gaat met technologische innovaties en efficiënt gebruikmaken van energie. We zullen volgens Norman Myers gedwongen worden die kant op te gaan.
In Nederland heeft de stichting "Milieudefensie" berekend, dat rijke landen hun consumptie zouden moeten verlagen om hun economieën in stand te houden zonder blijvend gebruik te maken van ruimte in armere landen. De gewenste verlaging bedraagt in het algemeen 70%. Voor Nederland zou, met een bevolking van bijna 17 miljoen, tot het jaar 2010 een verlaging van het energieverbruik met 60% per hoofd van de bevolking nodig zijn. Voor drinkwater 38%, voor aluminium 80%, voor landbouwgrond 45% en voor hout 65%. Elk individu zou 1 liter benzine per dag krijgen voor vervoer, inclusief vakantievluchten. Bij een gemiddelde verlaging van ca. 50% voor de hier genoemde consumpties zou Nederland ca.16 miljoen inwoners kunnen hebben, bij handhaving van de huidige consumptie dus ca.8 miljoen.
 
De nieuwste technische mogelijkheden om de menselijke consumptie minder milieubelastend te maken stemmen niet tot optimisme. Er is een toenemend aantal milieudeskundigen dat de impact van de mens op het milieu hoopt te kunnen verminderen via de techniek. Een eerste voorbeeld zijn de biotechnologen: zij menen kans te zien cellulose te synthetiseren. Dit zou de basis kunnen vormen voor de productie van papier en katoen.
Dan zijn er wetenschappers die de oceanen willen bemesten met ijzersulfaat. Dit procédé zou de concentraties van koolstof dioxide met 10% of meer verminderen. Een proef in de Pacific Ocean gaf onlangs een dramatische groei van algen te zien. Deze algen gebruiken inderdaad op grote schaal koolstof dioxyde.
Als derde voorbeeld zou volgens het Rocky Mountain Institute of Colorado spoedig energie in grote hoeveelheden kunnen worden geproduceerd door nieuwe polymere brandstofcellen. Een auto kan daarmee op 4,5 liter brandstof 320 km rijden, terwijl door stilstaande auto's de doorgaande elektriciteitsproductie kan worden geleverd aan het publieke elektriciteitsnet.
Maar pessimisten beweren dat de doorgaande groei van het consumptief gebruik de verhoogde efficiency weer teniet zal doen. Zo is ook door of ondanks zuiniger automotoren het brandstofgebruik in de USA gegroeid.
Ook menen zij dat technische verbeteringen zullen leiden tot een groei van 75% van het Bruto Nationaal Produkt.
 
19. Afsluiting
Ondanks alle technische uitvindingen en voorzieningen leefden er in 1968 slechts 1 miljard mensen in welvaart en kenden 2,5 miljard mensen armoede. In 1990 was het aantal mensen dat in welvaart leefde gestegen tot 1,2 miljard en geen enkele technische uitvinding of voorziening heeft er iets aan kunnen veranderen dat er in 1990 bijna 4,1 miljard mensen in armoede leefden.
 
Beperking van de bevolking is uiteraard het meest effectief daar waar de consumptie per hoofd het hoogst is, dus in het rijke Westen. Of de Westerse bevolking bereid is tot geboortebeperking hangt misschien ook af van de vraag of deze geboortebeperking al of niet wordt geneutraliseerd door migratiestromen.
 
Een van de direct opkomende vragen is hoe te realiseren dat de verworven sociale voorzieningen in stand gehouden kunnen worden bij een geringer aantal draagkrachtige. De tegenvraag die zich even direct aandient is of deze voorzieningen wél in stand gehouden zouden kunnen worden bij een ongebreidelde bevolkingsgroei, als het merendeel van die nieuwe mensen eveneens niet tot de draagkrachtige zal behoren.
Bij een evenredige verdeling van een teruggang in alle bevolkingsgroepen lijkt het aannemelijk dat zich eveneens een evenredige teruggang in belastingopbrengst zal voordoen, maar ook een evenredige teruggang in vraag naar de sociale voorzieningen. Wellicht is een teruggang in belastingen op te vangen, maar het in stand houden van de huidige infrastructuur zal wellicht een relatief hogere belasting per inwoner met zich mee brengen. Hoe het overgangsscenario naar een maatschappij met minder mensen er uit zal gaan zien valt buiten dit bestek.
 
Verwijzing naar literatuur
  • Wij hebben voor onze studie uitgebreid gebruik gemaakt van een geschrift, getiteld ‘Optimum Population for Europe’, gepresenteerd door David Willey op de International Workshop on Population and Environment te Rome d.d. 28 en 29 october 1996.
  • Ook is geput uit de lezing van Dr. Madeline Weld met de titel ‘Confronting the Population Crisis, Responses to the Twenty-One Most Commonly Used Arguments to Confound the Issue’, uitgegeven te Ottawa in april 1996 door de organisatie Global Population Concerns.
 
Verder werden geraadpleegd:
  • ‘De Draagkracht van Nederland’, een discussiestuk van Milieudefensie Nederland, Amsterdam 1994.
  • ‘Our Ecological Footprint’ van Mathis Wackernagel en William Rees, New Society Publishers, Philadelphia 1996.
  • ‘Food, Land, Population and the U.S.Economy’ van David Pimentel en Mario Giampietro in Clearing House Bulletin, Washington 1994.
  • ‘Population and Food’ van Tim Dyson, Routledge, Londen 1996.
  • International Monetary Statistics Yearbook, IMF 1994.
  • ‘Renewable Energy: Economic and Environmental Issues’, een werkstuk van David Pimentel, Cornell University, 1994.
  • ‘The Population Explosion’ van Paul en Anne Ehrlich, Arrow Books, Londen 1991.
  • ‘Natural Resources and an Optimum Human Population’ van David Pimentel in ‘Population and Environment: A Journal of Interdisciplinary Studies’, Cornell University, 1994.
  • ‘Forging a Sustainable Water Strategy’ in State of the World van Sandra Postel, 1996, Earthscan, Londen 1996.
  • ‘Population and Water Resources: A Delicate Balance’ in ‘Population Bulletin’ van Malin ‘Falkenmark and Carl Widstrand’, Population Reference Bureau, 1992.
  • ‘International Monetary Statistics Yearbook’, IMF 1994.
 
2010

Wereldbevolking

earth Criteria - Stichting de Club van Tien Miljoen