Overpopulation Awareness is de website van Stichting De Club van Tien Miljoen

Slide background

De wereld is te klein voor ons

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Druk hè!?

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Een goed milieu begint met de aanpak van overbevolking

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Ga heen en vermenigvuldig u niet

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Grenzen aan de groei

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Hoe meer zielen, hoe meer file

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Mensen met kinderwens zijn dubbel verantwoordelijk voor de toekomst

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Overbevolking = overconsumptie

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Stop de uitputting en vervuiling van de aarde

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Te weinig welvaart voor teveel mensen

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

We houden van mensen maar niet van hun aantal

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

We kunnen de mensheid niet op haar beloop laten

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

zondag, 12 december 2010 15:10

De immigratiekosten onderzocht

1.    Een studie over het jaar 2000
De import van vele immigranten als enige remedie tegen de dreigende vergrijzing is een van de meest gehoorde axioma’s. De hele Nederlandse samenleving wordt ermee gechanteerd.
Waarom en waarvan zou vergrijzing eigenlijk een bedreiging zijn. Je hoeft geen socioloog of bioloog te zijn om te weten dat vergrijzing een probleem is dat zich binnen een aantal jaren oplost. In de optiek van de stichting is het een natuurlijk mechanisme dat de problematiek van de overbevolking helpt verkleinen. Het binnenhalen van immigranten biedt geen blijvend soelaas. Ook deze mensen vergrijzen. Het werkt alleen maar cumulatief en het is een illusie te menen dat de binnengehaalde mensen na een aantal werkzame jaren in Nederland weer vanzelf naar hun landen van herkomst vertrekken.
 
Met de brochure over de kosten van de immigratie wil de stichting een aspect naar voren halen dat steeds onderbelicht gebleven is: de kosten van de immigratie die de Nederlandse samenleving daarvoor jaarlijks moet opbrengen. Deze kosten blijken zeer hoog te zijn. Voorzichtige ramingen, gebaseerd op cijfermateriaal, gaan in de richting van vier tot zes miljard euro per jaar. In de visie van de stichting kunnen deze vele miljarden zinniger besteed worden door investeringen in de landen van herkomst. Nederland lenigt door haar bestaande immigratiepolitiek thans juist niet de noden van de wereld, maar vergroot ze in de derde wereld én in Nederland!
 
De voorliggende brochure ‘kosten van de immigratie’ biedt uitgebreid, gedocumenteerd en verhelderend inzicht in de bovengeschetste thematiek: overbevolking – vergrijzing – immigratiekosten. Wie nog overtuigd is van de grote voordelen van immigratie voor ons land heeft een vooroordeel. Dit willen wij graag bestrijden. Daarom hebben wij geprobeerd voor één jaar (2000) neer te zetten wat de immigratiekosten zijn geweest. Natuurlijk is het beter om voor een aantal achtereenvolgende jaren een dergelijk onderzoek te doen. Zeker nu de immigratie enigszins terugloopt, zullen de cijfers van dit onderzoek relatief hoog uitvallen.
Tegen de achtergrond van de noodzaak tot bestrijding van de overbevolking in Nederland zetten wij in de eerste plaats hier de onkosten van de immigratie op een rijtje en bestrijden daarmee dat immigratie ons alleen maar veel oplevert. Wij zijn absoluut niet geïnteresseerd in eventuele voordelen van de immigratie, omdat immigratie lijnrecht ingaat tegen onze overtuiging dat het bevolkingsaantal van Nederland moet dalen. Dus een afweging van voor- en nadelen kunt u hierover van ons niet verwachten. Het gaat hier over de niet-westerse immigratie. Het is wellicht overbodig op te merken dat de Nederlandse bevolking niet of nauwelijks groeit dankzij de immigratie van het aantal mensen dat vanuit de overige landen van de Europese ruimte: de Europese Unie (EU), Noorwegen, IJsland en Zwitserland, hier (tijdelijk) binnenkomt.
 
Aan de hand van de gegevens over het jaar 2000 kunnen wij slechts een niet volledige onkostenpost bieden. Alle geldbedragen zijn in euro’s. We hebben ons zo veel mogelijk gebaseerd op officiële cijfers, die van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Eurostat en relevante overheidsinstanties. De hantering van de begrippen die wij gebruiken is in overeenstemming met wat het CBS doet. Daarom handhaven wij in een aantal gevallen de term allochtonen in plaats van de o.i. juistere term immigranten. Op zijn plaats is hier de opmerking dat het Nederlandse en Europese migratieproces veel ingewikkelder is dan de tegenstelling autochtonen - allochtonen suggereert.
 
In de conclusie en in de aanbevelingen geven wij aan niet noodzakelijkerwijs te willen komen tot een kostenbesparing, maar wel tot een heroverweging van de uitgaven die wellicht op een andere manier, bijvoorbeeld in het land van herkomst, beter kunnen worden aangewend. De kosten per immigrant zijn vrij hoog in relatie tot het geringe resultaat op het gebied van integratie en ontwikkeling. Bovendien blijven de kosten doorlopen zonder uitzicht op het gewenste doel: de volledige integratie van de immigranten in de samenleving en de verbetering van hun positie onder aan de maatschappelijke ladder. Tot slot valt te bedenken dat het uitgeven door Nederland van zoveel geld aan immigratiekosten lijnrecht ingaat tegen het belang dat ontwikkelingslanden hebben bij investering in hun eigen land. Wij investeren hier in groepen mensen die tot nu voornamelijk om economische redenen hun land hebben verlaten. Door hun vertrek geven zij misschien tijdelijk lucht aan de degenen die achterbleven. Dat stimuleert in ieder geval niet de invoering van een bevolkingspolitiek in die landen waar het bevolkingsoverschot om economische redenen steeds weer kan vertrekken.
 
2.   Overzicht van de immigratiekosten in 2000
Dit overzicht is aanvechtbaar en staat open voor verbetering. Wij pretenderen hier geen absolute waarheden te verkondigen. Wij willen met dit lastige onderzoek slechts aangeven, dat er zeer veel kosten zijn gemaakt tengevolge van een niet in de hand gehouden immigratie. Hieronder staan de kostenposten samengevat. Wij komen uit op ruim 5,7 miljard euro, maar vermoeden dat de werkelijke kosten de 10 miljard euro naderen. De bedragen in de tabel zijn afgerond op een miljoen euro. De kosten die wij redelijkerwijs konden achterhalen, konden wij ook kwalificeren. Deze categorie is in de tabel inschatbaar/kwantificeerbaar opgenomen. Daarnaast was het vaak zeer evident dat er kosten (moesten) zijn gemaakt, maar dat die kosten soms zo diep waren weggestopt dat er geen vinger achter te krijgen was. Want officiële cijfers over kosten zijn maar al te vaak verwerkt in niet meer uit te splitsen, niet direct aan immigratie gerelateerde statistieken.Toch hebben we gemeend in deze gevallen ook de kostenposten te moeten plaatsen onder de rubriek inschatbaar/kwantificeerbaar en hebben wij de schatting zo laag mogelijk gehouden. Kostenposten waarvoor we zelfs geen schattingen konden maken, hebben we als pro memoriekosten apart gezet. (Zie bijlage A voor de methodologie)
 
Inschatbare / kwantificeerbare kosten
Kostenpost 2000
Bedrag
%
Nieuwkomers
‘Óudkomers’
 
 
 
 
 
Grensbewaking
24
0,1
24
 
COA
805
14,1
805
 
IND
223
3,9
223
 
Diversen
56
1,0
56
 
Misdaadbestrijding
1.624
28,5
81
1.543,0
Vluchtelingenwerk
31
0,5
31
 
Wet Inburgering Ned.
135
2,4
7
128,0
Inburgering
35
0,6
1,5
33,5
Huursubsidie
643
11,2
32
611,0
Sociale uitkeringen
1.709
29,9
85,5
1.623,5
Infrastructuur
20
0,3
1
19,0
Gemeenten
210
3,7
10
200,0
Bestuur
203
3,5
10
193,0
 
 
 
 
 
TOTAAL
5.718
100
1.367
4.351,0
 
 
 
 
 
Per niet-westerse immigrant
€ 4.398 (1)
 
€ 22.783 (2)
€ 3.509 (3)
Alle bedragen in euro’s
(1) Totaal gedeeld door 1.300.000
(2) totaal gedeeld door     60.000
(3) totaal gedeeld door 1.240.000
 
Het bedrag van 5,7 miljard euro betreft kosten gemaakt door zowel de eerste generatie als de nieuwkomers. Om te komen tot een evenwichtige toerekening van kosten per niet-westerse immigrant hebben wij aan elke categorie de jaarlijkse kosten toegedeeld, uitgaande van een totale populatie van 1.300.000 niet-westerse immigranten in Nederland in het jaar 2000 (extrapolatie van Geelhoed 1995 en NIDI 2000). Wij onderscheiden hierin 60.000 (5%) nieuwkomers (NIDI 2000, par.4) en 1.240.000 (95%) eerste en tweede generatie immigranten.
Wij maken onderscheid tussen de kosten die specifiek en alleen zijn voor de nieuwkomers zoals Grensbewaking en Vluchtelingenwerk en kosten voor hen die hier al langer zijn zoals Misdaadbestrijding en Bestuur.
Een dergelijke volledige benadering is nog nimmer toegepast en laat zich moeilijk vergelijken met L.A.Geelhoed, die werkte met een cohort van 35.000 immigranten over 5 jaar (L.A.Geelhoed, Rapport over het asielzoekersbeleid, 1995) en Bron en Van Doesburg (Jaarboek 1999 / Andersson Elffers Felix. (AEF) - Utrecht, 1999) met 50.000 immigranten over 3 jaar. Lakeman komt tot een schatting van € 8.000 per asielzoeker per jaar (Lakeman, 1999).
 
Wij herhalen hier, dat wij bij het vaststellen van de kosten bewust aan de lage kant zijn gebleven. Indien wij kijken naar het navolgende overzicht met alle niet in onze cijfers verschenen pro-memoriekosten, is het zelfs waarschijnlijk, dat de kosten per niet-westerse immigrant (veel) hoger zullen uitvallen.
Het gewicht van misdaadbestrijding en bestraffing valt op. Ongeveer 28% van alle kosten die worden gemaakt voor het in goede banen leiden van de immigratie komt voor rekening van de misdaadbestrijding. Worden hierbij ook de kosten van opvang en eerste huisvesting geteld, dan steken de bedragen voor scholing en inburgering navrant af door hun bijna verwaarloosbare omvang. De vraag is of preventief werken niet beter zou zijn dan achteraf optreden. Wij wijzen op het grote bedrag aan huursubsidie. Op zich is dit cijfer al hoog, maar het geeft zeker een indicatie van wat de vervolgkosten in de jaren daarna bedragen. Dit betekent dat op dit punt de gevolgen van immigratie financieel gezien nog lange tijd in nadelige zin tot ver in de toekomst merkbaar zullen blijven.
 
Overzicht van de pro-memoriekosten
  • Onderwijs: basisonderwijs (extra kosten), voortgezet onderwijs (idem) en het ‘integratie’-onderwijs.
  • Huisvesting: (sociale) woningbouw (Vinex lokaties) en binnenstedelijke renovaties.
  • Uitkeringen: naast de in de tabel genoemde uitkeringen betreft het hier uitkeringen zoals gemeentelijke subsidies, cultuursubsidies en kinderbijslag.
  • Volksgezondheid.
  • Justitiële kosten gemaakt voor en door illegalen.
 
Verder konden sommige grote investeringen niet uitgesplitst worden. Zo was de Betuwelijn nodig geworden vanwege overbelasting van wegen en spoorwegnet. Die overbelasting is deels toe te schrijven aan de bevolkingsgroei (ook vanwege de immigratie) en deels aan een algemeen toegenomen mobiliteit. Omdat deze twee factoren volstrekt niet van elkaar te onderscheiden zijn, kunnen de kosten van de Betuwelijn niet opgesplitst worden in kosten van immigratie en in andere kosten.
Het feit dat we voor sommige kosten geen schattingen hebben kunnen maken, wil niet zeggen dat we geen indrukken opgedaan hebben. Met een nadrukkelijke slag om de arm durven we te stellen dat de door ons wel gekwantificeerde kosten waarschijnlijk met een factor twee, verhoogd zouden moeten worden. In onze conclusies wordt hierover echter niet meer gesproken.
 
3.   De inschatbare / kwantificeerbare kostenposten nader bekeken
Om kostenposten te kunnen kwantificeren is gebruik gemaakt van de demografische gegevens zoals die gehanteerd worden bij het NIDI. Ook is een aantal kostencijfers ontleend aan NIDI, 2000. Maar de nationaal gehanteerde gegevens zijn niet uniform en spreken elkaar soms zelfs tegen. Het is ook een onoverkomelijk probleem bij internationaal vergelijkend onderzoek. Daar is een totale spraakverwarring te constateren. Bovendien werd het ons niet gemakkelijk gemaakt alle gewenste gegevens op tafel te krijgen, omdat overheidsinstanties nog steeds bevreesd zijn voor stigmatisering.
Veel kosten worden gemaakt direct na binnenkomst van de immigrant in Nederland. Het gaat om grensbewaking, huisvesting, medische zorg, sociale zorg (exclusief vrijwilligerswerk zoals Vluchtelingenwerk), onderwijs en scholing, ambtelijke kosten en reiskosten. (Zie bijlage C voor de weg die een asielzoeker aflegt)
 
    Grensbewaking
Zeker niet alle kosten van deze factoren bleken eenvoudig te achterhalen. Nederland heeft grosso modo slechts twee buitengrenzen: Schiphol en de haven van Rotterdam. De kosten voor de grensbewaking van de EU of van de Schengen-grenzen hebben wij gelijkgesteld aan die van de Marechaussee op Schiphol, hoewel het niet duidelijk is in hoeverre Nederland bijdraagt aan die Europese grensbewaking. Ook voor extra ambtelijke diensten aan Europese grenzen worden kosten gemaakt buiten Nederland die niet achterhaald konden worden. Ter oriëntatie, de totale kosten van de Marechaussee op Schiphol bedragen 23,9 euro miljoen in het jaar 2000. Laten we aannemen dat hiervan de helft voortkomt uit de kosten gemaakt voor immigranten: 12 miljoen euro. De extra controles (van doorreizend verkeer) op illegale passagiers en alle extra kosten voor die vervoerders moeten hierbij gerekend worden. Denk hierbij alleen al aan het doorlichten van laadkisten in Rotterdam. Uit een recente publicatie (NRC 19-03-2002) blijkt dat alleen al zeven containerscanners plus 180 personeelsleden 44 miljoen euro per jaar kosten. Laten we hiervan twaalf miljoen euro optellen bij het boven genoemde bedrag van 12 miljoen euro voor de kosten van de Marechaussee op Schiphol. In hetzelfde NRC-artikel staat een aantal boeiende kostenberekeningen over de voorbereidingen van een Asielzoekerscentrum (AZC), die door een gebrek aan exacte gegevens niet geëxtrapoleerd konden worden. Ook andere kosten zoals die van verplegend personeel, dat extra training moet krijgen om te leren omgaan met immigranten, en van ambtenaren die ander werk hadden kunnen doen, bleken niet achterhaalbaar.
 
Het gros van de kosten die achterhaald konden worden, komt tot uiting in de budgetten van vooral overheidsinstanties, te weten die van het Centrum voor Opvang van Asielzoekers (COA) en de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND). De volgende cijfers zijn ontleend aan de jaarverslagen van deze diensten voor achtereenvolgens 2000 en 1999.
Het COA heeft 3.413 werknemers (eind 2000). Daarnaast zijn er externe diensten: het MOA (Medische Opvang Asielzoekers) waarin 720 mensen werkzaam, voornamelijk voormalige COA-medewerkers, en de administratieve dienst, die door Pricewaterhouse Coopers wordt geleverd. Het precieze aantal werknemers hier is onbekend. Bij het bepalen van het beleidsplan gaat de directie van het COA uit van een bedrijfsmatige omvang ten behoeve van de opvang van minimaal 35.000 asielzoekers per jaar voor de komende dertig jaar. Op 1 januari 2000 is een opvang gerealiseerd van 64.771 personen, waardoor de begroting op onbehoorlijke wijze met minstens 100% werd overschreden. Dit cijfer is later bijgesteld op 78.246. Het ziekteverzuim onder COA-medewerkers komt in 2000 op 9,56% en is daarmee bijna twee maal zo hoog als het landelijke gemiddelde. De totale kosten van het COA bedroegen in 2000 ruim 805 miljoen euro, waarmee 94 AZC's in bedrijf werden gehouden.
 
De uitgaven van de IND in 1999 bedroegen 223 miljoen euro. Uit het jaarverslag blijkt dat veruit het grootste deel daarvan wordt veroorzaakt door de aantallen asielzoekers. De IND behandelt namelijk naast verzoeken tot asiel ook naturalisaties en visumaanvragen, maar die zijn grotendeels of geheel kostendekkend, omdat daarvoor betaald moet worden. De gemiddelde kosten van een visum liggen op € 90 en van een naturalisatie ongeveer € 160.
In de loop van 1999 heeft de IND de begroting aangepast in verband met het stijgende aantal asielverzoeken. In 1999 is er 44 miljoen euro extra gereserveerd voor de 15.000 extra asielzoekers die verwacht werden. Van het totale bedrag van 223 miljoen euro was 181 miljoen euro bestemd voor activiteiten rond asielzoekers, dat wil zeggen 81%. Er zijn in dat jaar 37.921 asielverzoeken geregistreerd. De kosten per asielzoeker waren in dat jaar dus 4773 euro voor wat uitsluitend betreft de activiteiten van de IND.
 
Het bleek vrijwel onmogelijk de kosten van de asielzoekers te bekijken per fase van het proces van de asielaanvragen (Voor een overzicht van de fasen die een immigrant doorloopt verwijzen wij naar bijlage B). Voor de onderdelen als de verwerking in de aanmeldcentra, het horen van de asielzoeker, het verwerken van de beslissing, het behandelen van een bezwaar en het treffen van de voorlopige voorziening is het mogelijk om de kosten stuk voor stuk boven water te halen. De gemiddelde kosten per asielzoeker van deze eerstelijns activiteiten liggen rond de € 750, in totaal 55,5 miljoen euro in 2000. Bij dit laatste getal moet in aanmerking genomen worden dat kosten van zaken als bezwaar tegen een beslissing niet altijd in het jaar van de aanmelding worden gemaakt. De kosten worden ondoorzichtig door het rekenen met gemiddelde aantallen per jaar. Wij zijn er vanuit gegaan dat alle kosten die deze activiteiten betreffen, toegerekend kunnen worden aan de asielzoekers die zich in het betreffende kalenderjaar aanmeldden. Daarna spreken wij van degenen die hier al eerder waren: de ‘oud-komers’ (een beter woord konden wij niet bedenken).
 
   Kosten misdaadbestrijding
De instroom van vreemdelingen in ons land leidt tot onevenredig hoge kosten bij politie, justitie en gevangeniswezen. Volgens Justitie was de samenstelling van de gevangenisbevolking per 1-1-2001 als volgt:
 
 
Aantal
Percentage
Aandeel bevolking
Percentage bevolking
Nederlanders en westerse allochtonen
6.057
47
14.461.000
91
Niet-westerse allochtonen
6.845
53
1.404.000
9
 
12.902
100
15.865.000
100
 
Uit deze tabel over het jaar 2000 blijkt, dat 9% van de bevolking (niet-westerse allochtonen volgens de CBS-norm, volgens ons zijn allochtonen en immigranten hier dezelfde mensen) verantwoordelijk is voor 53% van alle celbezetting. We kunnen dit ook anders formuleren, zij het dat hierbij dan geen formele juridische terminologie gebruikt kan worden. Van Nederlanders en EU-inwoners is 1 op de 2.387 mensen als crimineel actief veroordeeld. Bij niet-westerse allochtonen is dat 1 op de 205. Hieruit blijkt dat niet-westerse allochtonen 11,6 keer zo vaak crimineel veroordeeld zijn als de burgers uit andere groepen. Hierbij moeten we er wel rekening mee houden dat 80% van de criminaliteit bedreven wordt door mensen in de leeftijdsgroep van 20 tot 49 jaar. Bij niet-westerse allochtonen is deze leeftijdsgroep sterker vertegenwoordigd dan bij Nederlanders en westerse allochtonen. Maar ook na het toepassen van deze correctie zijn niet-westerse allochtonen nog ongeveer 8 keer zo vaak crimineel actief als de andere groepen.
 
De kosten van criminaliteit zijn hoog voor de samenleving. In 2000 gaf justitie 4,3 miljard euro uit. Hiervan was 957 miljoen euro bestemd voor asielzoekers (COA), 2,1 miljard euro voor wetgeving, rechtspleging en alles wat daar mee te maken heeft en nog eens 1,2 miljard euro voor internationale zaken en vreemdelingenzaken. Van de kosten voor het totale juridische apparaat van in totaal 3,3 miljard euro wordt 53%, ofwel 1782 miljoen euro, veroorzaakt door niet-westerse allochtonen. De kosten gemaakt voor westerse allochtonen zijn ook hier te verwaarlozen. Indien de criminaliteit van niet-westerse allochtonen even hoog of laag zou zijn als die bij Nederlanders, dan zouden de kosten van de niet-westerse criminaliteit slechts 158 miljoen euro zijn. Er wordt hier dus 1624 miljoen euro extra uitgegeven door de samenleving als gevolg van immigratie. Maar er zijn ook nog kosten verbonden aan de andere kant, namelijk bij de financiering van Justitie. Uit gegevens van Sociale Zaken blijkt dat niet-westerse allochtonen vaker werkloos zijn dan andere burgers. Dat betekent dat zij ook minder belastinggeld betalen om de kosten van de bestrijding van de criminaliteit op te brengen. Op grond van deze gegevens kan berekend worden, dat slechts vier procent van die 3363 miljoen euro, die nodig is om de criminaliteit van niet-westerse allochtonen te bestrijden, wordt opgebracht door werkenden uit diezelfde groep. De andere 96% wordt opgebracht door Nederlanders en westerse allochtonen.
 
Voor andere soorten van bijstand, vaak op vrijwillige basis, konden slechts benaderingen gevonden worden. Indien we nationale en gemeentelijke subsidies aan Vluchtelingenwerk, voor zover achterhaalbaar, hier samenvoegen, resulteert een bedrag van circa 31 miljoen euro over 2000.
 
   Vervolgkosten
De voorafgaande kostenposten kunnen redelijkerwijs toegeschreven worden aan immigratie of aan het directe gevolg daarvan. Hierna echter houden de kosten niet op bij een exact te bepalen moment. De kosten worden minder volgens een geleidelijk afnemende curve, hoe die curve ook moge lopen. Tellen de kosten van een cursus Nederlands voor een derde generatie allochtoon wel of niet mee? Onder vervolgkosten verstaan wij ook de kosten die deels, soms grotendeels, veroorzaakt worden door immigranten en nazaten van immigranten. De keuze voor wat wel of niet toe te rekenen aan immigratie wordt hiermee arbitrair.
 
   
Deze posten bestaan en zouden helder als kwantificeerbaar boven tafel moeten kunnen worden gehaald, ware het niet dat ze zijn weggestopt. Hoe recenter de immigratie, hoe jonger de immigrant, hoe jonger zijn kinderen. Extra onderwijskosten vanwege immigratie worden vooral gemaakt in het lagere onderwijs. We wilden daarom het budget van het Ministerie van OCW voor het basisonderwijs onderverdelen in onderwijs aan autochtone en aan allochtone kinderen. Ook wilden we de posten van het onderwijs, specifiek gegeven aan immigranten, die nog regulier onderwijs krijgen, als additionele kostenpost opvoeren. Juist op dit gebied bleken er veel gemeentelijke initiatieven te zijn waarvan de kosten zeer moeilijk achterhaald konden worden. We hebben ons daarom beperkt tot het opvoeren van de kosten van extra onderwijs specifiek gericht op allochtone leden van de groep 6-18 jarigen, meestal maar beslist niet altijd, om taalachterstand te compenseren. Deze soorten onderwijs bleken echter ook te grondig opgenomen in algemene cijfers om achterhaald te kunnen worden. Maar deze kostenposten bestaan wel degelijk. Ook de multiculturele projecten bleken zo gespreid en zo incidenteel gefinancierd dat we hiervan de kosten niet concreet konden achterhalen.
 
Naast de kosten van bovengenoemd regulier onderwijs zijn er nog twee vormen van onderwijs specifiek voor immigranten. In het kader van de Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN, sic!) worden cursussen gegeven. In 2000 was hiervoor een landelijk budget beschikbaar gesteld door het Ministerie van OCW van 135 miljoen euro op jaarbasis. Voor de inburgering van de eerste generatie (deels de eerder genoemde tweede en derde generaties, maar ouder dan 18 jaar) heeft hetzelfde Ministerie een budget ter beschikking gesteld van 35 miljoen euro op jaarbasis.
 
   Infrastructuur
De kosten die voortvloeien uit de schade die een hoge bevolkingsdruk toebrengt aan het milieu, is moeilijk te becijferen. Er is recentelijk wel een discussie op gang gekomen over het duurzaam nationaal inkomen, maar er is nog weinig concreet cijfermateriaal bekend aan de hand waarvan de schade aan het milieu nauwkeurig te berekenen is. Dus valt er nu nog weinig te zeggen over de gevolgen van immigratie op het milieu en de kosten die daaruit voortvloeien.
 
Een discussie in Nederland over de onderlinge relaties tussen de bevolkingsdruk en het milieu is helaas nog niet van de grond gekomen en kwantificeerbare gegevens ontbreken. Ook internationaal gezien staat die discussie nog in de kinderschoenen. Omdat wij stellen dat geld, aan immigratiezaken besteed, wellicht beter kan worden uitgegeven in het land van herkomst van de immigranten, is hier de volgende vraag op zijn plaats. Wat zou het kosten om in plaats van in Nederland in bijvoorbeeld Marokko jaarlijks een stad te bouwen ter grootte van een stad als Middelburg of een andere stad met evenveel inwoners als de netto-immigratie uit de niet-westerse landen telt?
De economische kosten van files zijn redelijk goed bekend. Ook is bekend hoe het aantal files verdeeld is over het jaar. Tevens is bekend de verhouding autochtonen/allochtonen die als vakantiegangers van de auto gebruik maken. Uit al deze gegevens valt te berekenen hoeveel filekosten er niet gemaakt worden door allochtonen tijdens de vakantieperiode. Deze benadering levert een schatting op van de bijdrage aan de filekosten gemaakt door immigranten gedurende de rest van het jaar. Deze berekeningsmethode is nogal arbitrair, omdat veel meer factoren onze mobiliteitspatronen bepalen. Om toch tot een schatting van de extra filekosten te komen hebben wij 20 miljoen euro per jaar van de totale kosten van 106 miljoen euro per jaar toegerekend aan de immigratiekosten.
De extra kosten die wegens immigratie gemaakt moeten worden voor de uitbreiding van de wegeninfrastructuur (zowel investeringen als onderhoudskosten) zouden ook volgens een dergelijke verdeelsleutel geschat kunnen worden. We hebben dit nagelaten. Bij beslissingen over al of niet investeren in wegeninfrastructuur spelen te veel onzekere factoren een rol. Dat dergelijke investeringen toegeschreven kunnen worden aan de gevolgen van immigratie wordt dan dubieus.
 
Ondanks voortdurende besparingen op het openbaar vervoer en het onderbrengen (lees: verbergen) van bijvoorbeeld de kosten van de railinfrastructuur in andere budgetten, blijven de bijdragen van de belastingbetaler aan het openbaar vervoer relatief hoog. Schattingen met een redelijke graad van accuratesse over de kostendekking van streekbus, stadsvervoer, trein en andere vormen van openbaar vervoer zijn bekend. Ook de verhouding allochtone en autochtone gebruikers valt met een acceptabele nauwkeurigheid te schatten. Toch hebben we afgezien van het maken van een plaatje van de kosten van het openbaar vervoer ten gevolge van immigratie volgens deze methode. Immers factoren als algemene groei van de mobiliteit en het gebruik van het openbaar vervoer door allochtonen zijn niet eenvoudig te scheiden.
We hebben na deze afwegingen wel durven stellen dat waarschijnlijk de helft van de totale overheidsbijdrage aan het stedelijke openbaar vervoer op de kostenpost komt van uitgaven ten gevolge van immigratie. Speculatief is of de oorspronkelijke stadsbevolkingen ook verhuisd zouden zijn, indien er geen sprake zou zijn geweest van immigratie. In dat geval zouden deze kosten wellicht toch ook zijn gemaakt.
De conclusie is dat kosten voor de infrastructuur in principe wel kwantificeerbaar zijn, maar niet binnen ons beperkte kader. Het is misschien een uitdaging voor anderen hierop door te gaan. Onze schatting voor deze rubriek valt heel laag uit.
 
    Huisvesting
Volgens het CBS ontvangen veel niet-westerse allochtonen huursubsidie. Het CBS had niet de gedetailleerde informatie die wij zochten en het Ministerie van Volkshuisvesting was niet bereid ons hierover informatie te verstrekken. Hierdoor valt een berekening met de methode zoals gevolgd in eerdere paragrafen niet te maken. Hoewel dit de uitkomst van de schatting zwak maakt, hebben we toch een bedrag gegeven. Omdat allochtonen vrijwel zeker oververtegenwoordigd zijn als ontvangers van huursubsidie hebben wij geschat, dat 44% van het totale bedrag van 1462 miljoen euro dat over 2000 uitgekeerd is aan huursubsidie, te weten 643 miljoen euro, ontvangen is door immigranten.
 
Kosten van stadsuitbreidingen zijn niet opgevoerd, omdat deze te zeer het gevolg zijn van wensen om ruimer te gaan wonen en van de vergroting van de koopkracht gedurende de laatste decennia.
 
    Uitkeringen
Het NIDI toont aan dat in 2000 de graad van arbeidsparticipatie van immigranten tot pessimisme aanleiding geeft. Lakeman drukt het als volgt uit: de gemiddelde immigrant neemt slechts voor tien jaar van zijn werkzame leven deel aan het arbeidsproces. Gemeten naar de tijd dat een immigrant hier is, is het correct dit cijfer bij te stellen op 15 jaar. Daar komt bij dat immigranten gemiddeld vaker ziek gemeld zijn dan autochtonen. Dit blijkt uit het feit dat immigranten vaker een beroep doen op uitkeringen zoals WAO. Gebleken is dat allochtonen van 15-64 jaar ongeveer twee maal zo vaak een uitkering ontvangen als autochtonen uit dezelfde leeftijdsgroep. Het sociale stelsel van Nederland op zich is al ingewikkeld en voor wie een onderzoek als dit wil doen, blijven deuren op slot. Immers, officieel beschikt de overheid niet over cijfers die zijn uitgesplitst naar autochtonen en allochtonen. Wij schatten de kosten van de uitkeringen voor het jaar 2000, afgaande op de onderzoekingen van Lakeman, op 1.709 miljoen euro.
De landelijke uitkeringen worden aangevuld door de gemeentelijke uitgaven aan bijzondere bijstand. Over 2000 beliepen die kosten 210 miljoen euro. Hoewel ze absoluut geen afspiegeling zijn van de werkelijke kosten aan uitkeringen, hebben we alleen deze kostenpost als geheel opgevoerd.
 
   Gezondheid
Immigranten doen vaker een beroep op medische diensten dan allochtonen. Ondanks deze evidente waarheid vielen er slechts incidentele en geen landelijke gegevens specifiek voor immigranten te achterhalen. Alle uitgaven op dit gebied lijken zorgvuldig weggestopt, maar dat ze bestaan staat als een paal boven water.
 
   Bestuur
Vanzelfsprekend zijn er ambtelijke kosten die specifiek gemaakt worden voor immigranten. De eerste, directe kosten zijn al vermeld. Het lag voor de hand binnen het Ministerie van Integratie en Grote Stedenbeleid enkele onkostenposten te vinden, maar wij konden die niet achterhalen. Uit de begroting voor het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties viel te achterhalen dat 202,5 miljoen euro beschikbaar is gesteld voor bestuurlijke zaken voor allochtonen. We zijn er uiteindelijk van uitgegaan dat deze kosten, hoewel niet in hun geheel uitgegeven aan immigranten, de kosten bij andere ministeries aardig dekken.
 
   Diversen
Cijfers over overmakingen van bijvoorbeeld kinderbijslag naar landen van herkomst, extra uitkeringen van kinderbijslag als gevolg van een hoger kindertal dan gemiddeld, het ophalen van bruiden in landen van oorsprong en de daartoe door ambtenaren te maken kosten etc zijn te grondig ingebed in statistieken om die uit te splitsen en hier te vermelden. Ook dit gegeven maakt onze totale kostenschatting aan de lage kant.
 
4.   Kosten gemaakt in het land van herkomst
De kosten die gemaakt worden in het buitenland, dat wil zeggen in het land van herkomst, horen hier niet thuis. Deze kosten worden niet door Nederland gemaakt. Toch willen wij hier iets over zeggen, want ook dit is een, zij het niet te achterhalen, kostenpost voor het land dat zijn mensen ziet emigreren. Hoewel de opleiding van de meeste immigranten in het land van herkomst gemiddeld laag is, zijn er wel degelijk kosten gemaakt en drukken waarschijnlijk zwaar op het betrokken land van herkomst. Het is bijvoorbeeld moeilijk te achterhalen wat het Turkije kost of hoe groot de schade is, wanneer een in Turkije opgeleide jurist of timmerman naar Nederland vertrekt.
De opleidingsmarkt in Nederland is vanwege de ruime opleidingscapaciteit heel flexibel. Maar in een land als Marokko of Turkije zijn de kosten voor het opleiden van een extra timmerman of jurist relatief veel hoger dan in Nederland het geval is. Om van een land als Afghanistan maar niet te spreken. Des te schrijnender is het dat een land als Nederland het soms toelaat, dat vanwege een Nederlands tekort aan artsen en verpleegkundigen deze beroepsgroep uit bijvoorbeeld Afrika hierheen wordt gehaald zonder dat wij ons hier afvragen of dit ethisch verantwoord is en wat de gevolgen zijn voor, in dit voorbeeld, Afrika.
 
5.   Conclusies
De immigratie zou samengevat kunnen worden in de conclusie: immigratie vereist ieder jaar het bouwen van een stad als Middelburg of van een vergelijkbare stad van ongeveer 70.000 inwoners. Wij gaan ervan uit dat immigranten recht hebben op dezelfde economische status als Nederlanders. Wij zijn immers tegen elke vorm van discriminatie. Maar een interessante vraag is of het wellicht financieel en ecologisch meer kost om een dergelijke stad in Nederland te bouwen dan in, nogmaals hetzelfde voorbeeld, Marokko of Turkije. Wij hoeven geen kosten te besparen, maar wij zijn er voorstander van om de huidige uitgaven voor immigratie of zeker een deel ervan alleen daar te besteden waar het effectief en ecologisch verantwoord is. Wij beseffen heel goed, dat in dat geval een zeer vergaande vorm van overleg noodzakelijk is. Maar hier gaat het slechts om de vergelijking.
Stel, dat Nederland een stad in Marokko zou bouwen met het Nederlandse welvaartsniveau. In het begin zal dit voordelen opleveren in de ecologische voetstap, maar op den lange duur wordt die ecologische voetstap in Marokko in principe even groot als in Nederland. De vraag is dan of het milieu van Marokko een extra voetstap gemakkelijker, goedkoper of met minder risico’s aan kan dan een dergelijke extra voetstap in Nederland zou vragen.
 
Stellen we het gemiddelde jaarsalaris van een in het arbeidsproces participerende allochtoon op € 20.000 per jaar en stellen we zijn participatieduur (zie boven) op vijftien jaar, dan begint het twijfelachtig te worden of, over langere periodes gemeten, immigranten economisch gezien tot nu toe enige substantiële en positieve bijdrage geleverd hebben en in de toekomst zullen leveren. Stel dat 30% van de nieuwe immigranten participeert, dan is dat € 400.000.000 totaal salaris/jaar. Neem hiervan 35% loonheffing, dat is € 140.000.000 voor de staat. Stel daarna, dat 50% van het saldo BTW-dragend wordt besteed (de rest wordt geïnvesteerd in het land van herkomst), dan levert dat weer € 26.000.000 voor de staat op. Samen € 166.000.000 ofwel enkele procenten (ongeveer 12) van wat zij volgens ons rapport kosten. Dat is natuurlijk zeer schattenderwijs, maar het geeft wel een indruk. De overige 88% passen de belastingbetalers bij. Een overheidsbeleid zou daarom meer of alleen maar het accent moeten leggen op participatie en veel minder (of niet meer) op integratie>.
 
Het bedrag van jaarlijkse maatschappelijke kosten ad € 5,7 miljard mag hoog lijken, ook de werkgroep Geelhoed kwam in 1995 tot een dergelijk bedrag voor het jaar 2000 bij een instroom van 70.000 asielzoekers per jaar.
We zouden beter over kunnen stappen van ‘interne ontwikkelingshulp’ zoals die nu wordt gegeven aan immigranten binnen Nederland naar ‘externe ontwikkelingshulp’ in de landen van herkomst, waar geen integratiekosten noodzakelijk zijn. Dit levert de volgende voordelen op:
 
  • Het scheppen van voorzieningen in de zorg en in de infrastructuur in landen als Turkije, Marokko. Het zodanig scheppen van arbeidsplaatsen dat er een niveau ontstaat dat vergelijkbaar is met dat van Nederland, zodat die wezenlijk kunnen bijdragen aan een terugdringing van het groeiende aantal inwoners in die landen.
  • Meer bijdragen ter voorkoming van conflicten. Hoewel vredesmissies meestal niet direct in verband worden gebracht met overbevolking, is het een feit dat regionale en landelijke conflicten zeer vaak zijn terug te voeren op schaarste en daarmee op de duurte van de voor het levensonderhoud noodzakelijke goederen.
  • Het voorkomen van geboorten in Nederland en elders in de wereld. Immigratie naar Nederland en Europa is in feite een manifestatie van globale, acute en latente overbevolking in de derde wereld, terwijl in onze optiek het westen om andere redenen ook al overbevolkt is. Geld dat thans uitgegeven wordt aan immigratie zou, zeker op de lange termijn, aanzienlijk hogere rendementen opleveren, indien de wortel van het probleem aangepakt zou worden via bijdragen aan voorlichting over geboortenbeperking.
  • Het laten inschrijven van mogelijke arbeidskrachten in het land van herkomst, het daar rekruteren, het over laten komen, het huisvesten en het terug laten reizen van tijdelijke arbeidskrachten binnen een periode van bijvoorbeeld drie jaar draagt meer bij aan de ontwikkeling van de betrokken families en hun land dan het hier in Nederland eindeloos arbeidsloos toeven aan de onderkant van de samenleving. Hierbij zouden de fouten van het vroegere beleid ten aanzien van gastarbeiders in ieder geval vermeden kunnen worden. Uit fondsen voor additionele ontwikkelingshulp zou bijvoorbeeld aan tijdelijke gastarbeiders een beroepsscholing of een ondernemerscursus gegeven kunnen worden, waarmee het ontwikkelingsland, de gastarbeiders en de belastingbetalers allen gebaat zijn.
  • Het verschuiven van ontwikkelingshulp naar organisaties die zich bezighouden met onderwijs en geboortenbeperking. Het is denkbaar ontwikkelingshulp te beperken tot die landen die bereid zijn tot invoering van een bevolkingspolitiek gericht op geboortenbeperking. Dit laatste betekent impliciet dat Nederland als gidsland zelf ook een duidelijk geformuleerd bevolkingsbeleid zou moeten nastreven.
 
Het viel buiten het bestek van dit werk om de kosten van genoemde alternatieven uitgebreid te analyseren. Het volledige bedrag van ruim 5,7 miljard euro alternatief besteden is wellicht een illusie. Het zou nuttig zijn te onderzoeken hoeveel tijd het een immigrant kost, gerekend vanaf het moment van binnenkomst, om als volwaardig Nederlander beschouwd te kunnen worden in termen van gedrag, inkomen, opleiding en bijdragen aan de samenleving.
Zoals het beperken van het aantal geboorten pas na langere tijd zijn vruchten afwerpt, zo zal ook een immigratiestop pas op langere termijn zijn blijvende voordelen opleveren. Ook het sterk inperken of stoppen van de immigratie zal slechts geleidelijk besparingen opleveren gezien het aantal vaste kosten vanwege bestaande structuren. Het is zelfs denkbaar dat aanvankelijk de kosten zullen toenemen vanwege onder andere de hiervoor noodzakelijke uitbreidingen van grenscontroles aan de Nederlandse of Europese grenzen.
 
Bijlage B
 
Methodologie
Bij het samenstellen van deze tekst over de immigratiekosten kon geen systematische methodologie toegepast worden. In een aantal gevallen was het toeval dat bepaalde kosten uitgesplitst konden worden.
 
In Europa worden immigranten gedwongen zich voor te doen als asielzoekers of vluchtelingen. Daarom lijkt het gemakkelijk immigranten als groep te identificeren. De statistieken in Europa zijn wat dit betreft uniform. De fasen, die een immigrant moet doorlopen tot zijn uiteindelijke verblijfsvergunning of terugkeer, zullen waarschijnlijk eveneens redelijk uniform zijn. Verschillende kostenposten van andere Europese landen kunnen daardoor achterhaald en vergeleken worden. Maar er is een voorbehoud. In veel Europese landen wordt de fictie volgehouden dat asielzoekers en vluchtelingen ooit zullen terugkeren. Hierdoor wordt naturalisatie vaak bemoeilijkt, zo niet onmogelijk gemaakt. (Duitsland maakt hierop een uitzondering) Dit zal bij verder internationaal onderzoek waarschijnlijk leiden tot veel pro memorieposten.
 
Samenvattend kan gezegd worden, dat ondanks alle verschillen, het mogelijk moet zijn om ook voor andere landen een kostenberekening van immigratie te maken op basis van de door ons gehanteerde methodologie. Dit onderzoek is verre van volledig. De werkelijke kosten zijn wellicht twee keer hoger. Duidelijk is in ieder geval wel, dat zij, die vinden dat immigratie grote economische en financiële voordelen heeft, op zijn minst een behoorlijk aantal aspecten over het hoofd moeten hebben gezien.
 

Bijlage B

Enkele rapporten inzake immigratie (gastarbeiders t/m rijksgenoten )

1960 Commissie buitenlandse arbeiders over werving.
1964 Wervingsverdrag Turkije - Anatoliërs - geen scholingseisen.
01-03-69 Wet arbeidsvergunning vreemdelingen 1964 van kracht.
14-05-69 Wervingsverdrag Marokko: RIF-berbers - geen scholingseisen - met gezinnen.
juni 1970 idem Joegoslavië.
maart 1971 idem Tunesië.
nov. 1969 Nota inzake buitenlandse werknemers aan Tweede Kamer. SER/De Pous: ‘Ons land heeft behoefte aan buitenlandse arbeidskrachten – niet aan gezinnen’.
aug. 1970 Hoorzitting Tweede Kamer (Commissie van onderzoek - zitting 70/71, stuk 10504 Nr.5).Contactgroep werkgevers metaalindustrie wil generaal pardon voor illegalen.
Commissie buitenlandse arbeiders CWV versus overlegorgaan NVV/NKV/CNV: ‘Werving beperken’. Er moet een kosten/batenanalyse komen.
1971  CPB ontwikkelt Tinbergen-model: ‘Macro-economische gevolgen van de arbeidsimmigratie’. Dit is nooit gebruikt.
maart 1972 Rapport CPB: Économische effecten voor Nederland van de werving van buitenlandse werknemers. Dit is nooit behandeld.  CPB: ‘Ondernemer verdient op gastarbeider zonder gezin 900 euro per jaar’. Na komst van RIF-berbers met grote gezinnen sloeg dit om in verlies.
01-01-1973 Sociaal verdrag met Marokko (14-02-72) treedt in werking. Kinderbijslag wordt naar Marokko in guldens uitbetaald, per jaar ongeveer 45,5 miljoen euro.
maart 1973 Min. Boersma (Kab. Den Uyl):’…zijn wij van oordeel dat op langere termijn noch het belang van de landen waaruit de vreemde werknemers komen, noch de belangen van die vreemdelingen zelf, noch de belangen van de Nederlandse samenleving met hun komst zijn gediend’. Daarna kwamen per maand ongeveer 500 vrouwen en kinderen naar Nederland. Mem. van antwoord op de Nota uit 1969 (!) Tweede Kamer – zitting 73/74, stuk 10504 Nr. 9 Tweede Kamer.
27-06-1974 Eindverslag Kamercommissie op Nota buitenlandse werknemers – zitting 73/74, stuk 10504 Nr. 11. PvdA/VVD/CDA: Nederland is geen immigratieland.
27-09-1974 Nota n.a.v. eindverslag - zitting 73/74, stuk Nr. 12.
1974-1999 Huisvesting van 50.000 gastarbeidersgezinnen kost jaarlijks 3 - 4 miljard euro.
1974-2000 Halvering van de autochtone bevolking t.g.v. de allochtone bevolking in de 4 grote steden. Allochtoon betekent dan gastarbeiders en (ex-)Rijksgenoten met gezinnen. Door de groei van buitenwijken en randgemeenten groeien files (woon-werkverkeer).
09-5-1979 Rapport No. 17: ‘Ethnische minderheden’ WRR.
sept. 1983 Minderhedennota van Kabinet aan Tweede Kamer: Surinamers, Antillianen, Marokkanen en Turken heten nu minderheden. Gezinshereniging ook toegestaan aan gastarbeiders met een bijstandsuitkering.
1989 Regeringsnota Allochtonenbeleid – Tweede Kamer, zitting 89/90, stuk 21472 Nr. 2.
1991 Muus & Penninx: ‘Immigratie van Turken en Marokkanen 1970-1990, consequenties voor het beleid.’ In opdracht van de Nederlandse regering!
1995 WODC (Min. van Justitie): ‘Praktijk van de asielverlening 1983-1993’.
1995 Delphiconsult Amsterdam: ‘Goudmijn of bodemloze put’.
1997 NIDI: ‘Bevolkingsvraagstukken in Nederland Anno 1997’.
 
Bijlage C
 
De fases die een immigrant of asielzoeker doorloopt
Volgens de meest recente vluchtelingenwet moet een asielzoeker acht fases doorlopen:
 
1.                   Aanmelding
2.                   Registratie
3.                   Eerste verhoor
4.                   Eerste beoordeling
5.                   Nader verhoor
6.                   Verslag
7.                   Voornemen en beslissing
8.                   Verblijf of vertrek uit Nederland
 
Theoretisch moet deze procedure een half jaar of minder in beslag nemen. Meestal telt men in jaren. Tijdens die jaren wordt de asielzoeker gehuisvest, voorzien van levensonderhoud, zorg (medisch, educatief) en begeleiding, allemaal kostenposten. In zijn artikel ‘Verdienen aan vluchtelingen’ noemt Frank Renout de opvang van asielzoekers het beste werkgelegenheidsproject dat Nederland ooit heeft gehad. De kosten zijn navenant.
 
Toch is het doorlopen van de procedure met alles wat daarbij komt niet de enige bron van de kosten. Na stap 8 blijven er namelijk geen twee, maar drie mogelijkheden over:
 
a.                   legaal verblijf in Nederland
b.                   vertrek uit Nederland
c.                   illegaal verblijf in Nederland
 
Bij elk van deze drie mogelijkheden horen specifieke kosten. Na het verkrijgen van een verblijfsvergunning volgen alle kosten die niet gemaakt zouden hoeven worden voor een in Nederland geborene. Het gaat om inburgeringkosten, extra onderwijs, extra kosten huisvesting (huur subsidies), bovengemiddelde uitgaven aan veiligheid en allerlei andere posten. Het nadeel hierbij is het open einde. Het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit door de eerste generatie immigranten is meestal het moment waarop zij niet meer als immigrant gezien worden. Toch gaan, zo stellen wij, veel kosten voor die groep gewoon door.
 
De extra kosten gemaakt voor de tweede categorie, vertrek uit Nederland, zijn de vertrekpremies, reiskosten en mogelijke begeleiding door de Vreemdelingenpolitie of Marechaussee. Tot deze vertrekkers moeten in principe ook al diegenen gerekend worden die vóór het bereiken van stap 8 eerder vertrekken naar een ander land binnen de Europese Unie.
 
Bij de derde groep, illegaal verblijf in Nederland, komt een wel heel bizar aspect van de Nederlandse asiel- en immigratiepraktijk aan het licht. Tot voor kort was er trouwens van enig beleid nauwelijks sprake. Tijdens de jarenlange toelatingsprocedure wordt de binnenkomers vooral geleerd niet te werken, maar te leven van subsidies als waren zij onmondige kinderen. Maar vanaf de seconde dat hun verblijfsverzoek is toe- of afgewezen, behandelt de Nederlandse overheid de asielzoekers ineens als volledig onafhankelijke personen die geen enkele moeite hebben met het staan op eigen benen respectievelijk met de reis terug naar het land van herkomst. Hoe naïef en hoe schadelijk voor Nederland als hier zoveel illegalen rondlopen en hoe nadelig voor de betrokken asielzoekers om het woord schandelijk niet te gebruiken. Mede hiertoe gestimuleerd en opgebeurd door de herhaalde amnestieverleningen hebben uitgeprocedeerde asielzoekers gemakkelijk de illegaliteit gezocht. Op elke illegaal wordt winst gemaakt bijvoorbeeld door zeer lage lonen bij zwartwerken en formeel worden er zelfs helemaal geen onkosten voor hem gemaakt, want hij bestaat officieel niet. Maar de nadelen van de illegaliteit zijn te evident om genegeerd te kunnen worden. De exacte kosten van illegalen zijn echter juist door die illegaliteit zeer moeilijk te achterhalen, al was het maar door de onduidelijkheid over hun aantal. Het CBS schatte het aantal illegalen tussen 46.000 en 116.000 (NRC, 16-3-2002). Hiertoe behoren ook degenen die in andere landen uitgeprocedeerd zijn en uiteindelijk in Nederland in de illegaliteit zijn gegaan. Het achterhalen van deze kosten van de in het buitenland uitgeprocedeerde asielzoekers bleek vooralsnog onmogelijk.
 
Literatuurlijst
 
    Preambule: in de tekst hebben wij een aantal malen verwezen naar jaarverslagen van ministeries. Deze jaarverslagen en een aantal CBS-jaarboeken zijn niet gespecificeerd in onderstaande literatuurlijst.
     
    Bevolkingsvraagstukken
    Bevolkingsvraagstukken in Nederland anno 2000 / onder red. van Nico van Nimwegen en Gijs Beets. - Den Haag : NIDI, 2000. - 260 bl. - (NIDI rapport, ISSN 0922-7210 ; 58)
    Werkverband Periodieke Rapportage Bevolkingsvraagstukken; Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut, NIDI
    ISBN 90-70990-81-4
     
    Bron, Koen
    Financiële aspecten van een gastvrij Nederland / Koen Bron en Robert van Doesburg
    In: Jaarboek 1999 / Andersson Elffers Felix. - Utrecht, 1999. - P. 101-104 : graf.
     
    Eindrapport
    Eindrapport van de heroverwegingswerkgroep "Asielzoekersbeleid" / L.A. Geelhoed (voorzitter). - 's-Gravenhage : [Ministerie van Financiën], 1994. - 28 p. - (Begrotings­voorbereiding 1995 ; deelrapport nr. 6)
    Omslagtitel: Heroverwegingsonderzoek asielzoekersbeleid
     
    Jaarverslag COA
    Jaarverslag 2000 / Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA). - [Rijswijk] : Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers, 2001
     
    Jaarverslag IND
    Jaarverslag 1999 / Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). - Den Haag : Immigratie- en Naturalisatiedienst, Ministerie van Justitie, 2000
     
    Lakeman, Pieter
    Binnen zonder kloppen : Nederlandse immigratiepolitiek en de economische gevolgen / Pieter Lakeman. - Amsterdam : Meulenhoff, cop. 1999. - 212 p.
    Met lit. opg.
    ISBN 90-290-6552-2
     
    Bevolking en welzijn in Nederland: rapport van de Staatscommissie bevolkingsvraagstuk, vastgesteld te Leidschendam, december 1976 (voorz. P. Muntendam). - 's-Gravenhage : Staatsuitgeverij, 1977. – ill. : XVIII, 292 p.
     
2003

Wereldbevolking

earth De immigratiekosten onderzocht - Stichting de Club van Tien Miljoen