Overpopulation Awareness is de website van Stichting De Club van Tien Miljoen

Slide background

De wereld is te klein voor ons

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Druk hè!?

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Een goed milieu begint met de aanpak van overbevolking

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Ga heen en vermenigvuldig u niet

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Grenzen aan de groei

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Hoe meer zielen, hoe meer file

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Mensen met kinderwens zijn dubbel verantwoordelijk voor de toekomst

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Overbevolking = overconsumptie

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Stop de uitputting en vervuiling van de aarde

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Te weinig welvaart voor teveel mensen

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

We houden van mensen maar niet van hun aantal

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

We kunnen de mensheid niet op haar beloop laten

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

zaterdag, 20 oktober 2018 17:23

De vergrijzing is geen probleem

Een studie over het jaar 1997
 
1. Inleiding
Het hoge consumptiepeil per hoofd van de bevolking in ons rijke deel van de wereld heeft grote en wereldwijde consequenties.

Daarom past het ons om te streven naar een geleidelijke afname van de bevolking door een beperking van de jonge aanwas. Bemoedigend in dit verband is een autonome daling van de geboortecijfers in verscheidene Westeuropese landen. De afname van de geboortecijfers is zo sterk, dat er in veel Europese landen op den duur een daling van de bevolking zal optreden.

 
Er bestaat echter een wijdverbreide zorg om de toename van het percentage ouderen (de vergrijzing) in de samenleving. In essentie komt de bezorgdheid neer op de vrees, dat er te weinig actieven, mensen met een baan, beschikbaar zullen zijn om voor de gehele bevolking (en met name voor de ouderen) een behoorlijk levenspeil te garanderen. Impliciet gaat men ervan uit, dat elke oudergeneratie zou moeten worden gevolgd door een even grote kindergeneratie. De consequentie van dit uitgangspunt is, dat een bevolking die eenmaal te groot geworden is, nooit meer kan afnemen tot een omvang die in overeenstemming is met de productie van eigen grondstoffen en de draagkracht van het milieu ter plaatse.
 
Het is vooral de vrees voor de vergrijzing, die maakt dat een beleid dat moet leiden tot een lager aantal geboorten voor veel Nederlanders onbespreekbaar is. Daarom willen wij aan de hand van cijfermateriaal aantonen, dat de vergrijzing in de eerstkomende 40 jaar wel ingrijpende consequenties met zich meebrengt, maar dat er geen reden is om ons er zorgen over te maken dat wij deze uitdaging niet aankunnen.
 
2. De bevolkingsopbouw in Nederland in 1997
Het spookbeeld van de onbetaalbaarheid van de consequenties van de vergrijzing is gebaseerd op de gedachte, dat er een groot aantal actieve mensen nodig is om een beperkt aantal niet-actieven te kunnen onderhouden. Daarbij worden ouderen en niet-actieven aan elkaar gelijk gesteld.
 
In de onderstaande opstelling laten wij zien, dat er ook op dit moment zonder noemenswaardige problemen voor het Nederlandse nationaal product een zeer groot aantal niet-actieven wordt onderhouden. Deze bevinden zich voor een groot deel in de leeftijdsgroep tot 65 jaar. Op 31 december 1997 telde Nederland volgens gegevens van het CBS 15.654.000 inwoners, die als volgt waren verdeeld over de leeftijdsgroepen:
 
Leeftijd
Aantal
Percentage
00-19
3.809.000
24,3 %
20-64
9.735.000
62,2 %
65-xx
2.110.000
13,5 %
Totaal
15.654.000
100,0 %
 
In vergelijking met andere Westeuropese landen was het aantal ouderen in Nederland in 1997 nog laag. In de andere Westeuropese landen lag het percentage ouderen tussen de 15% en de 18%. Het percentage jongeren lag op een gemiddeld Europees niveau. In de discussie over de vergrijzing wordt vaak met zorg gesproken over het percentage ouderen, alsof dit de voornaamste maatstaf voor het aantal inactieven zou zijn. Ten onrechte. Onderstaande tabel laat zien, dat ook in de tegenwoordige situatie een kleine groep actieven dank zij een hoge arbeidsproductiviteit het inkomen verdient voor een grote groep niet-actieven.
 
 
Aantal personen
Verhouding t.o.v. het aantal banen
Aantal banen (20-64 jaar) 1)
6.224.000
100
Werkloos (WW-uitkering)
374.000
6
Werkloos (Bijstand)
420.000
7
Werkloos (WAO-uitkering)
860.000
14
Banenpool c.a.
77.000
1
VUT en flexibel pensioen
150.000
2
Subtotaal
-   Wachtgelden
-   Afvloeiingsregelingen
-   Functioneel leeftijdsontslag
150.000
2
Studie (vanaf het 20e jaar)
300.000
5
Niet-werkend zonder uitkering:
-   werkzoekend (200.000)
-   niet werkzoekend (gehuwde
-   vrouwen, weduwen)
1.180.000
19
Subtotaal 20-64 jaar
9.735.000
156
Ouderen (> 64 jaar)
2.110.000
34
Jongeren (<20 jaar)
3.809.000
61
Totaal van de bevolking
15.654.000
252
1)Van de jongeren van 15 tot en met 19 jaar hebben er 176.000 een baan.
Het totaal aantal werkenden bedraagt dus 6.400.000.
 
We zien uit deze cijfers, dat er tegenover elke 100 actieve mensen 152 niet-actieven zijn waarvan er slechts 34 behoren tot de categorie van de ouderen. De ouderen vormen slechts een minderheid onder de inactieven. Daaruit kunnen wij de conclusie trekken, dat een kleine groep werkenden zonder problemen kan zorgen voor het levensonderhoud van een groep inactieven. Bij de beoordeling van de gevolgen van de vergrijzing speelt dit gegeven een belangrijke rol. De verhouding tussen het aantal actieven en het aantal inactieven is des te opmerkelijker, wanneer wij in aanmerking nemen, dat de gemiddelde arbeidsduur in Nederland ver achterblijft bij de arbeidsduur in de andere Europese landen.
 
Van de 6.400.000 werknemers in Nederland heeft slechts 58% (3.698.000) een volledige baan. In 1997 is in veel sectoren de 36-urige werkweek de norm voor een volledige baan geworden. Er is daarbij geen sprake van een vrijwillige keuze van de werknemer; de vakbonden zien er op toe, dat er geen mogelijkheden worden geboden om langer te werken tegen een hoger loon. Aangenomen moet worden, dat een deel van de werknemers bij een vrije keuzemogelijkheid wel zou kiezen voor een langere werkweek. Daarom kan de 36-urige werkweek worden aangemerkt als een vorm van verborgen werkloosheid.
Een werkweek van 36 uren komt neer doorgaans op 1620 tot 1632 arbeidsuren per jaar. Dit aantal moet nog worden verminderd met het ziekteverzuim (5% tot 6%) en met het toenemend verzuim in verband met uiteenlopende regelingen voor zwangerschaps-, bevallings- en ouderschapsverlof.
 
Daarnaast is er een tweede groep werknemers met vaste deeltijdbanen. Rekening houdend met de deeltijdbanen van 12 uur per week en meer gaat het om 1.920.000 banen. Gemiddeld werken deze werknemers 20 uur per week. De keuze voor een deeltijdbaan is niet altijd vrijwillig. Soms accepteren werknemers een deeltijdbaan, omdat andere banen niet beschikbaar zijn. Ook dit is een vorm van verborgen werkloosheid. Nergens in Europa is het percentage deeltijdbanen zo groot als in Nederland.
 
Als derde groep zijn er de flexibele banen, zoals het werken via een uitzendbureau. Het gaat om een groep van 783.000 mensen. Ook hier is vaak geen sprake van een vrijwillige keuze; een groot deel van de uitzendkrachten zou liever een vaste baan hebben.
 
Uit het bovenstaande blijkt, dat er in Nederland een grote verborgen werkloosheid is. Het aantal gepensioneerden zinkt in het niet bij de andere groepen van (onvrijwillig) inactieven. Een geleidelijke groei van het aantal ouderen zal daardoor niet leiden tot een even grote vermindering van het aantal werkenden, maar het zal in eerste instantie leiden tot een zeer welkome afname van het aantal onvrijwillig inactieven. De productie van goederen en diensten kan daarbij op peil blijven.
 
De verschillen tussen de leeftijdsgroepen in Nederland
Bij de beoordeling van de participatie per leeftijdsgroep (zie bijlage 2), zijn er twee groepen die opvallen. Allereerst valt de lage participatie in de leeftijdsgroepen van 15-19 jaar en 20-24 jaar op. Dit is een gevolg van de verlenging van de opleidingen en de grotere toestroom naar het hoger onderwijs. Het aantal jongeren, dat een hogere opleiding volgt is toegenomen van 20% in 1975 tot 43% in 1997. Wanneer men bedenkt, dat het hoger onderwijs in principe opleidt voor topfuncties, dan moet dit percentage als zeer hoog worden beschouwd. Het is ondenkbaar, dat er voor alle afgestudeerden een baan beschikbaar is, die aansluit bij het niveau en de inhoud van de gevolgde opleiding. Recent onderzoek heeft uitgewezen, dat nu al 38% van de medewerkers een baan heeft onder zijn opleidingsniveau.
 
Mede door de slechte werkgelegenheidssituatie in de laatste decennia kozen veel jongeren voor langdurige opleidingen. Daardoor was er een grote instroom van hoger opgeleiden. De werkgevers nemen hoger opgeleiden aan niet zozeer om hun kennis, maar veel meer omdat men in het bezit van een hoger diploma een bewijs van intelligentie en doorzettingsvermogen ziet. Dit heeft in veel gevallen geleid tot verdringing van lbo-ers en mbo-ers door hbo-ers. Nu dat het geval is, zou er zonder schade voor de Nederlandse economie kunnen worden gewerkt aan een ander efficiënter onderwijssysteem. Het Nederlandse onderwijssysteem moet minder tijd van de studerenden verspillen en hen klaarmaken voor een eerdere instroom op de arbeidsmarkt. De opleidingen zouden korter en compacter moeten zijn. De instroom in het hoger onderwijs zou moeten worden beperkt tot de meest begaafden (15% tot 20%). In de tweede plaats valt de lage participatie van de ouderen op. Door de slechte werkgelegenheidssituatie van de afgelopen decennia is er een grote uitstroom van ouderen geweest via werkloosheidregelingen, VUT-regelingen en de WAO. Het effect is nog altijd zichtbaar in de vorm van een lage participatie in de leeftijdsgroep van 50 tot en met 64 jaar. (zie bijlage 2).
 
3. De bevolkingsopbouw in de toekomst in Nederland
Voor het zichtbaar maken van de mate van vergrijzing hebben wij gebruik gemaakt van het simulatie- programma Poptrain, een uitgave van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) in Den Haag. Dit programma maakt het mogelijk om (uitgaande van de werkelijke bevolkingsomvang in 1995) door het invullen van een aantal variabelen de bevolkingsontwikkeling en een aantal gevolgen daarvan te berekenen voor alle jaren tot en met het jaar 2050. Met dit programma hebben wij een tweetal varianten doorgerekend.
 
Variant A:
Deze variant gaat uit van een vruchtbaarheidscijfer van 1,70 kind per vrouw en een netto-immigratie van 35.000 personen per jaar (de standaardinstelling van het NIDI). Dit komt overeen met de middenvariant CBS-prognose van 1996. Het vruchtbaarheidscijfer zou betekenen, dat 75% van de vrouwen uiteindelijk kinderen krijgt en dat het gemiddelde kindertal (per vrouw met kinderen) 2,27 is. (0,75 x 2,27 is 1,70). Het hoogste inwonertal wordt in deze variant bereikt in 2032, daarna neemt de bevolking langzaam af. Dit leidt tot de volgende reeks.
 
2032:
17.110.000
2040:
16.989.000
2050:
16.654.000
 
Er zijn aanwijzingen, dat deze prognose aan de lage kant is. Er zijn onderzoekers, die uitgaan van een vruchtbaarheidscijfer van 1,80. Als dat werkelijkheid zou worden, zou Nederland in 2050 een omvang van 17.284.000 hebben, terwijl de bevolking bij een volledige vervanging (2,10 kind per vrouw) in 2050 een omvang van 19.277.000 bereikt.
 
Variant B:
Vruchtbaarheidscijfer 1,30 in combinatie met een migratiesaldo van 0. Het vruchtbaarheidscijfer van 1,30 zou kunnen betekenen, dat 75% van de vrouwen kinderen krijgt en dat het gemiddelde kindertal (voor de vrouwen met kinderen) 1,73 zal bedragen (0,75 x 1,73 is 1,30). Het hoogste inwoneraantal wordt al bereikt in 2002. Daarna neemt de bevolking af. De reeks is als volgt.
 
2002:
15.660.000
2040:
13.201.000
2050:
11.694.000
 
Wanneer er een verandering in het vruchtbaarheidscijfer zou optreden, dan zal de sterkste grijze druk optreden rond het jaar 2040. Daarna zal niet alleen de jonge generatie afnemen, maar ook de oudere generatie, waardoor de grijze druk weer afneemt. Daarom zijn wij in de beschouwingen uitgegaan van het effect op het jaar 2040. Hoewel het percentage ouderen in variant B fors toeneemt, zal er geen catastrofe ontstaan. Er is een aantal factoren, dat meewerkt. Dit betreft zowel ontwikkelingen in de vraag naar goederen en diensten als ontwikkelingen ten aanzien van vraag en aanbod van werknemers.
 
Ontwikkelingen in de vraag naar goederen en diensten in Nederland
  • Tegenover de toename van het aantal ouderen staat een afname van het aantal afhankelijke jongeren. Dit beïnvloedt de structuur van de collectieve voorzieningen. De toenemende kosten van pensioenen en ouderenzorg worden gecompenseerd door afnemende kosten voor kinderbijslag, opvoeding van de kinderen, medische zorg voor kinderen, onderwijs, studietoelagen. De uitbreiding van de infrastructuur, die nu veel middelen opslokt, zal in een toekomst met een afnemende bevolking niet meer nodig zijn.
  • Ook in de particuliere sector zal er sprake zijn van een verzadiging. Er zal geen behoefte meer zijn aan een uitbreiding van de woningvoorraad. Integendeel, slechte woningen kunnen worden verlaten, zonder dat er voor vervangende huisvesting moet worden gezorgd. De vergrijzing zal verder leiden tot een vermindering van de vraag naar meubilair, woningstoffering ed.
  • De ontwikkeling zou nog eens een keer kunnen worden versterkt, wanneer een grondstoffenschaarste ons dwingt tot een soberder levensstijl.
 
Ontwikkelingen ten aanzien van de vraag naar en het aanbod van arbeid:
  • Ook als gevolg van verdere automatisering en verbetering van werkmethoden zal er een situatie ontstaan, waarbij een kleiner aantal werknemers kan zorgen voor dezelfde productie.
  • De overheid zou zich kunnen richten op een snellere instroom van jongeren op de arbeidsmarkt. Opleidingen zouden kunnen worden ingekort en de instroom in de hogere opleidingen zou kunnen worden beperkt.
  • Er zal meer kans op werk zijn voor de leeftijdsgroep van 25 t/m 64 jaar. Er zullen meer kansen zijn voor herintredende vrouwen, arbeidsongeschikten, werknemers die door omstandigheden hun baan zijn kwijtgeraakt. Dit leidt tot een snelle daling van de uitkeringslasten en tot hogere inkomens.
  • Er zullen mogelijkheden zijn om deeltijdbanen om te zetten in volledige banen.
  • Er kunnen mogelijkheden worden gecreëerd om langer te werken. Veel Nederlanders zouden tegen betaling graag meer dan 36 uur per week willen werken of vrije dagen willen inleveren.
  • De arbeidsdeelname van de groep van 55 t/m 64 jaar zal steeds hoger worden. Een geleidelijke verhoging van de leeftijd van uittreding is mogelijk.
  • Wanneer er toch een tekort aan werknemers zou ontstaan - op basis van onze analyses verwachten wij dat niet - dan zou er een beroep kunnen worden gedaan op de grote groep juist voorbij de grens van 65 jaar om op basis van vrijwilligheid nog even aan het arbeidsproces te blijven deelnemen.
 
Als gevolg van de verdergaande groei van de arbeidsproductiviteit en de te verwachten toename van het gemiddelde aantal arbeidsuren per werknemer zal het brutoloon per werknemer kunnen stijgen. Daardoor zullen de nettolonen niet afnemen, ook al zal er door het grotere aantal ouderen mogelijk een toename van de sociale premies zijn. Hoewel het in verband met de vele onzekerheden gewaagd is om nu al voorspellingen te doen over de arbeidsmarkt van het jaar 2040, hebben wij toch geprobeerd om een berekening te maken van het aantal werknemers, dat in dat jaar beschikbaar zou kunnen zijn. Wij zijn daarbij uitgegaan van variant B en van een handhaving van de uittredingsleeftijd op 65 jaar.
 
U ziet onze prognose in beeld gebracht in bijlage 3. Het blijkt dat ondanks een afname van de bevolking als totaal met 2,5 miljoen het aantal beschikbare werknemers slechts weinig afneemt: van 6.400.000 tot 6.231.000. Wanneer wij het aantal werknemers relateren aan de omvang van de totale bevolking, is er zelfs sprake van een behoorlijke toename: de participatie neemt toe van 40,9% tot 47,2%.
 
4. De oudere werknemer
Er moet naar worden gestreefd om de oudere werknemer zo lang mogelijk binnen het arbeidsproces te houden. In de toekomst kunnen de volgende factoren daarbij een positieve rol spelen:
  • Op zich zal een beperktere instroom van jongeren er al toe leiden, dat ouderen meer kans zullen hebben om hun baan te behouden of om een andere baan te vinden.
  • Er moet meer aandacht zijn voor goede arbeidsomstandigheden. Voorkomen moet worden dat werknemers door een verkeerde arbeidsbelasting voortijdig versleten raken.
  • Betere gereedschappen en apparatuur zullen het mogelijk maken, dat oudere werknemers langer kunnen blijven werken.
  • Voorzover het werk hoge eisen stelt aan de fysieke gesteldheid van de werknemer kan worden gestreefd naar een goede verdeling van het werk tussen de jonge en de oude werknemers in een organisatie.
  • Voor beroepen, die hoge eisen stellen aan de fysieke gesteldheid van de medewerker zou er op jonge leeftijd een functioneel leeftijdsontslag moeten zijn; de werknemer kan daarna doorstromen in een ander beroep.
  • Er moeten mogelijkheden worden gecreëerd om na de pensionering nog als invalkracht of parttime te werken. Het pensioensysteem moet het bijverdienen niet in de weg staan.
 
5. De pensioengerechtigde leeftijd
  • Bij de aanvaarding van de Ouderdomswet in 1919 werd de pensioengerechtigde leeftijd gesteld op 65 jaar. Hoewel de conditie van de 65-jarigen van 2010 door betere levensomstandigheden aanzienlijk beter is dan de conditie van de 65-jarigen van 1919, is de pensioengerechtigde leeftijd tot nu toe ongewijzigd gebleven. In de praktijk zijn er slechts weinig werknemers, die doorwerken tot zij 65 jaar zijn, zoals in bijlage 2 wordt aangetoond.
 
  • Het is op zich waardevol, dat er een vastgestelde leeftijd voor het leeftijdsontslag bestaat. Het voorkomt werkloosheid onder schoolverlaters en het voorkomt, dat in elk individueel geval een discussie moet worden gevoerd over de vraag of een werknemer wel of niet te oud is om zijn taak naar behoren uit te oefenen. Verder geeft een vaste datum voor leeftijdsontslag een basis, waarop pensioenfondsen en individuen hun pensioenplanning kunnen baseren.
 
  • Op dit moment ligt de uittredingsleeftijd voor de meeste werknemers bij circa 60 jaar; het gaat dan niet om het echte pensioen (de AOW gaat immers pas bij 65 jaar in), maar meestal om een VUT-regeling, een prepensioen of een functioneel leeftijdsontslag. Er is overigens slechts een minderheid van de werknemers, die de leeftijd van 60 jaar haalt: velen zijn al eerder werkloos geworden, arbeidsongeschikt geraakt of via een afvloeiingsregeling buiten het arbeidsproces geraakt.
 
  • De regering stuurt aan op een snelle afbouw van de regelingen voor de 60- tot 65-jarigen. Ook de bonden werken daar soms aan mee (de VUT-regelingen zijn beperkt om de invoering van de 36-urenweek te kunnen bekostigen).
 
  • Naar onze mening is een snelle afbouw van deze regeling niet wenselijk en zelfs schadelijk. Deze regelingen zijn nu nog goed betaalbaar: het percentage ouderen is in Europees verband gezien opvallend laag. Nadelige consequenties van een snelle optrekking van de leeftijd van uittreding zijn: verstarring van organisaties (ouderen van wie al werd verwacht dat zij zouden vertrekken, blijven toch nog), werkloosheid onder schoolverlaters, het missen van kansen tot uitstroom uit allerlei vormen van openlijke en verborgen werkloosheid.
 
  • De afschaffing zou (mogelijk) een plotselinge besparing op de collectieve lasten geven; in alle jaren daarna zullen de collectieve lasten als gevolg van de vergrijzing stijgen, zonder dat daarvoor een compensatie is. Bij een geleidelijk optrekken van de leeftijd van uittreding zal de geleidelijke toename van de kosten van de AOW worden gecompenseerd door de geleidelijke afname van de kosten van VUT-regelingen.
 
  • Naar onze mening zou de overheid moeten streven naar een geleidelijke verhoging van de uittredingsleeftijd. Deze zou (in aansluiting op de feitelijke situatie van dit moment) moeten worden gesteld op 60 jaar voor de groepen die in 1939 of daarvoor zijn geboren. Daarna zou deze leeftijd heel geleidelijk per geboortejaar met drie maanden moeten worden opgetrokken, totdat in 2024 voor de groep die in 1959 is geboren de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar weer de normale leeftijd van uittreding is.
 
  • Wanneer door extreme omstandigheden (die wij in onze cijfermatige analyses van dit moment overigens niet voorzien) toch een krapte op de arbeidsmarkt ontstaat, kan altijd worden overwogen om de mogelijkheden te creëren om ouderen op basis van vrijwilligheid nog wat langer te laten doorwerken. Gezien de gezondheidstoestand van de Nederlanders is het goed denkbaar dat een deel van de ouderen hiertoe bereid en in staat is.
 
  • Op deze manier kan op voorhand ruimte worden gecreëerd voor een afname van de jongere generaties. De verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd is volstrekt verantwoord. De ouderen van nu zijn aanzienlijk fitter dan de ouderen van destijds. De medische zorg is veel beter geworden, terwijl de leefomstandigheden minder zwaar zijn. Veel kwalen, die vroeger leidden tot definitieve invaliditeit zijn nu door relatief eenvoudige operaties of door medicijnen te verhelpen. Deze ontwikkeling zal zich in de komende eeuw verder doorzetten.
 
6. Het pensioensysteem
De angst voor lage geboorte-aantallen is ingegeven door de angst voor een slechte pensioenvoorziening. Een betrouwbare pensioenvoorziening is een absolute voorwaarde om draagvlak te creëren voor een afnemende bevolking.
 
Ons huidige pensioenstelsel bestaat voor een deel uit een omslagsysteem en voor een deel uit een systeem van kapitaaldekking. In een omslagsysteem staan de werkenden in een bepaald jaar een deel van hun inkomen af aan de inactieven van dat zelfde jaar. De AOW werkt op die manier; de VUT-regelingen worden ook zo bekostigd. In een systeem van kapitaaldekking bouwen de werkenden d.m.v. stortingen (bij voorbeeld in een bedrijfspensioenfonds) gedurende hun actieve periode een vermogen op, dat na hun pensionering wordt terugbetaald in de vorm van pensioen. Het is daarbij niet gebruikelijk, dat er voor de verzekerden een individuele aanspraak op een deel van het vermogen van het pensioenfonds bestaat. De verzekerde weet in het beste geval, hoeveel pensioen hij krijgt, maar niet hoeveel van zijn vermogen in het pensioenfonds zit.
 
Sommigen bepleiten een verschuiving in de richting van een kapitaaldekkingsstelsel. Volgens hen zou men de actieven van dit moment een veel groter deel van hun inkomen moeten laten sparen om problemen in de toekomst te voorkomen. Naar onze mening is dit niet zonder gevaar. Wanneer de besparingen groter zullen worden dan de vraag naar geld voor investeringen, dan kan dit leiden tot groei van de werkloosheid en een toename van de staatsschuld.
 
Naast het hierboven genoemde macro-economische risico heeft het kapitaaldekkingsstelsel nog een tweede nadeel. Dat is de gevoeligheid van het uiteindelijke beleggingsresultaat voor fluctuaties in de rente en de geldontwaarding. Wanneer de inflatie toeneemt of wanneer de rente en de beleggingsresultaten lager worden zal het pensioenfonds niet in staat zijn om de verwachtingen van de aangesloten werknemers waar te maken. Ook een toenemende levensverwachting voor ouderen als gevolg van ontwikkelingen in de medische wetenschap zou bij een pensioenstelsel op kapitaaldekkingsbasis tot betalingsproblemen kunnen leiden.
 
Om de angst voor de vergrijzing te voorkomen is het nodig om te beschikken over een stelsel, dat aan alle werknemers en alle ouderen veel zekerheden biedt. Het zal aan een aantal kenmerken moeten voldoen:
  • De indexatie van de pensioenen moet gekoppeld zijn aan de inkomens van de werkenden. Voorkomen moet worden, dat de ouderen achterop raken ten opzichte van de jongeren. De solidariteit tussen jongeren en ouderen mag door geen enkele politicus ter discussie worden gesteld.
  • Gezien de diversiteit in carrièrepatronen is het wenselijk, dat het pensioen een relatie heeft met de stortingen in de actieve fase. Pensioenbreuken worden op die manier voorkomen. Er zou een fictieve vordering op het pensioenfonds zichtbaar moeten zijn, bestaande uit de stortingen plus de inflatievergoeding (en een eventuele rentebijschrijving). De hoogte van het pensioen moet uiteindelijk gerelateerd zijn aan het aldus bespaarde bedrag. Pensioenspaarders houden zo de rechten op de door hen ingebrachte bedragen.
  • Het pensioenstelsel kan, evenals momenteel het geval is, een mix zijn tussen een omslagstelsel en een kapitaaldekkingsstelsel. De omstandigheden op de nationale kapitaalmarkt en de Europese kapitaalmarkt zouden mede bepalend moeten zijn voor de verhouding tussen beide stelsels. Noch de jongeren noch de ouderen zouden immers ermee gebaat zijn, wanneer het pensioenstelsel de economie in een crisis zou drijven.
  • Verschillen in uitkeringen tussen de verschillende pensioenfondsen zijn ongewenst. Deze zouden onder meer een gevolg kunnen zijn van verschillen in de leeftijdsopbouw. Een samengaan van de pensioenfondsen (fusie of pooling van resultaten) is daarom wenselijk.
  • Gezien de enorme positieve en negatieve risico’s is overheidsgarantie ten aanzien van het beleggingsresultaat van de instellingen wenselijk. Overwinsten van het pensioenfonds zouden door de overheid kunnen worden afgeroomd, maar tekortschietende beleggingsresultaten zouden uit algemene middelen moeten worden aangevuld. Dat is goed mogelijk omdat slechte beleggingsresultaten als gevolg van inflatie of een lage rentestand altijd leiden tot voordelen voor de overheid of voor debiteuren in de particuliere sfeer. Daardoor is er ruimte om deze voordelen door middel van belastingheffing af te romen.
 
7. Conclusies
Een afname van onze bevolking is, zoals wij in de inleiding hebben uiteengezet, een absolute noodzaak, wanneer wij een aantal doelstellingen willen bereiken:
  • Vermindering van de schade voor het milieu.
  • Een vermindering van de overlast als gevolg van overbevolking
  • Behoud van natuurgebieden.
  • Een vermindering van het verbruik van de natuurlijke hulpbronnen in Nederland en in andere landen.
  • Een vermindering van de afhankelijkheid van de importen uit andere landen, waardoor wij economisch en politiek gezien minder kwetsbaar worden.
 
Een geleidelijke afname van de omvang van de bevolking behoeft niet zoals sommigen vrezen te leiden tot economische problemen. Degenen die problemen vrezen houden geen rekening met een tweetal positieve ontwikkelingen:
  • Op dit moment staat een groot aantal mensen buiten het arbeidsproces; er is een grote verborgen werkloosheid. Een geringe instroom van jongeren op de arbeidsmarkt zal leiden tot een vermindering van de verborgen werkloosheid. Daardoor zal het aantal werkenden slechts in beperkte mate afnemen.
  • Door de technologische ontwikkeling en door de mogelijkheid van langere werktijden zal de productie per werknemer in de komende veertig jaar verder toenemen.
  • Vergrijzing leidt niet alleen tot een toename van de uitgaven van het Rijk (de AOW, verzorgingstehuizen, verpleegtehuizen), maar ook tot een afname van de Rijksuitgaven op andere begrotingsonderdelen (kinderbijslag, onderwijs, woningbouw, infrastructuur).
 
Wij concluderen daarom dat de vergrijzing bij een geleidelijk afnemende bevolking geen probleem vormt.
 
Bijlage 1.
Vooruitberekening vanaf 1995 (Poptrain 1997)
 
Scenario A
1998
Scenario A
2040
Scenario B
2040
Bevolking (totaal)
15.659.376
16.988.761
13.201.122
Geboorte
190.780
165.444
78.401
Sterfte
139.090
224.443
219.907
Immigratie
35.000
35.000
0
 
 
 
 
Percentage 00-19
24,33 %
21,58 %
15,25 %
Percentage 20-64
62,17 %
53,52 %
53,03 %
Percentage 65+
13,50 %
24,90 %
31,72 %
Percentage 65-69
3,96 %
6,02 %
7,57 %
Percentage 70+
9,54 %
18,88 %
24,15 %
 
 
 
 
Aantal 00-19
3.809.926
3.666.175
2.013.171
Aantal 20-64
9.735.434
9.092.385
7.000.555
Aantal 65+
2.114.016
4.230.201
4.187.396
Aantal 65-69
620.527
1.022.171
999.229
Aantal 70+
1.493.489
3.208.030
3.188.167
 
 
 
 
Groene druk
39,13 %
40,31 %
28,77 %
Grijze druk
21,72 %
46,53 %
59,83 %
Totale druk
60,85 %
86,85 %
88,60 %
 
 
 
 
Kosten AOW
€ 17,583  mln
€ 35,185  mln
€ 34,829 mln.
 
 
 
 
Aantal leerlingen
3.245.400
3.156.573
1.795.852
Aantal patiënten in ver­pleeghuizen
57.592
141.390
139.857
Aantal bewoners in ver­zorgingshuizen
130.859
341.608
338.443
 
 
 
 
Uitgaven kinderbijslag
€ 2,886 mln
€ 2,777 mln
€ 1,525 mln
Kosten onderwijs
(rijk + gemeenten)
€ 19,145 mln
€ 18,621 mln
€ 10,594 mln
Kosten verpleeghuizen
€ 2,744 mln
€ 6,736 mln
€ 6,663 mln
Kosten verzorgingshuizen
€ 2,672 mln
€ 6,976 mln
€ 6,911 mln
Bezoeken aan de huisarts, de specialist en de fysiotherapeut­
€ 59.1 mln
€ 69.93 mln
€ 58.27 mln
Kosten artsenbezoek
€ 2,836 mln
€ 3,357 mln
€ 2,784 mln
 
 
 
 
Woningbehoefte (extra)
74.702
4.928
- 47.414
Woningbehoefte (verv.)
15.298
60.000
60.000
Woningbehoefte (totaal)
92.300
64.928
12.586
 
 
 
 
Kosten woningbouw
€ 10,471 mln
€ 7,365 mln
€ 1,428 mln
De kosten zijn aangegeven in euro’s en niet in Nederlandse guldens.
 
Bijlage 2.
Participatiegraad in de verschillende leeftijdsgroepen in 1997
Leeftijdsgroep
Totaal
Werkend
Percentage
15-19
915.000
176.000
19
20-24
998.000
613.000
61
25-29
1.279.000
1.015.000
79
30-34
1.306.000
992.000
76
35-39
1.255.000
908.000
72
40-44
1.167.000
848.000
73
45-49
1.147.000
808.000
70
50-54
1.020.000
632.000
62
55-59
786.000
329.000
42
60-64
690.000
79.000
11
Totaal 15-49
10.563.000
6.400.000
60
Totaal 20-64
9.648.000
6.224.000
64
Bron CBS
 
Bijlage 3
In deze tabel wordt getoond hoe een toename van het aantal ouderen kan worden gecompenseerd door een daarmee in verband staande afname van andere vormen van niet-actief zijn .
 
Leeftijd
Situatie
Aantal
Perc.
Aantal
Perc.
 
 
1997
1997
2040
2040
00-19
Geen baan
3.633.000
23,2
1.813.000
13,7
00-19
Wel een baan
176.000
1,1
200.000
1,5
20-64
Werkend
6.224.000
39,8
6.031.000
45,7
20-64
WW-uitkering
374.000
2,4
50.000
0,4
20-64
Bijstand
420.000
2,7
50.000
0,4
20-64
WAO
860.000
5,5
360.000
2,7
20-64
Banenpool
77.000
0,5
0
0,0
20-64
VUT flex.pensioen
150.000
1,0
0
0,0
20-64
Wachtgeld c.a.
150.000
1,0
40.000
0,3
20-64
Studie (v.a. 20 jaar)
300.000
1,9
100.000
0,8
20-64
Geen uitkering werkzoekend
200.000
1,3
20.000
0,2
20-64
Niet actief en zonder uitkering
980.000
6,3
350.000
2,7
65-99
Niet actief
2.110.000
13,5
4.187.000
31,7
Alle
Totale bevolking
15.654.000
100,0
13.201.000
100,0
 
 
 
 
 
 
Alle
Werkende bevolking
6.400.000
40,9
6.231.000
47,2
 
Bijlage 4           
Geraadpleegde literatuur
 
  • Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut: NIDI-Bundel no 35 bevolkingsvraagstukken anno 1994 (m.n. de hoofdstukken 5 t/m 14)
  • NIDI Bundel no. 50 bevolkingsvraagstukken anno 1997 (m.n. hoofdstuk 3)
  • NIDI programma Poptrain 1997
  • Miljoenennota 1997
  • Centraal Bureau voor de Statistiek, Statistisch jaarboek 1996-1997-1998
  • Centraal Bureau voor de Statistiek, diverse gegevens m.b.t. de arbeidsmarkt en de werkgelegenheid (op aanvraag verkregen)
  • Ouderen voor ouderen, demografische ontwikkelingen en beleid (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 1993)
  • Toekomstverkenning arbeidsmarkt en scholing tot 2007 Ministerie van SoZaWe (oktober 1998)
 
Dit rapport is in december 1998 samengesteld door de werkgroep vergrijzing van de Stichting De Club Van Tien Miljoen

Wereldbevolking

earth De vergrijzing is geen probleem - Stichting de Club van Tien Miljoen