Overpopulation Awareness is de website van Stichting De Club van Tien Miljoen

Slide background

De wereld is te klein voor ons

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Druk hè!?

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Een goed milieu begint met de aanpak van overbevolking

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Ga heen en vermenigvuldig u niet

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Grenzen aan de groei

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Hoe meer zielen, hoe meer file

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Mensen met kinderwens zijn dubbel verantwoordelijk voor de toekomst

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Overbevolking = overconsumptie

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Stop de uitputting en vervuiling van de aarde

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Te weinig welvaart voor teveel mensen

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

We houden van mensen maar niet van hun aantal

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

We kunnen de mensheid niet op haar beloop laten

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

donderdag, 08 november 2018 16:12

Ervaringen met de volte

Prof. dr. Jan Pen, econoom

(In ‘ Tien miljoen mensen als duurzame bevolkingsomvang’ Uitg.Damon,2006)

In mijn jeugd wist ik van geen overbevolking. Want ik ben geboren in De Lemmer en dat was in 1921 een stil vissersplaatsje aan de Zuiderzee. Er waren een paar auto’s in het dorp (een was van de dokter) en er ging en bus naar Sneek en naar Heerenveen.

In mijn jeugd wist ik van geen overbevolking. Want ik ben geboren in De Lemmer en dat was in 1921 een stil vissersplaatsje aan de Zuiderzee. Er waren een paar auto’s in het dorp (een was van de dokter) en er ging en bus naar Sneek en naar Heerenveen. Er voer iedere dag en iedere nacht een boot naar Amsterdam, met goederen en een paar passagiers. In 1938 verhuisde ik naar die stad, daar had je toen nog de Gemeentelijke Universiteit, en het was voor mij echt een belevenis. Van het platteland naar de metropool, maar druk was het er niet. Je kon op de fiets van de N.Z.Voorburgwal 282, waar ik woonde, zonder moeite naar Durgerdam rijden – met de pont het IJ over, langs het buiten-IJ en weer terug, zonder veel auto’s tegen te komen. Ook op het water was ruimte in overvloed. Probeer dat nu maar eens! In 2006 wordt de fietser gehinderd door allerlei vormen van verkeer, vooral in de zomer. Het aantal inwoners van Nederland is sinds 1938 verdubbeld, maar daar zit de grootste moeilijkheid niet in – de volte is ontstaan door de combinatie van twee dingen. Een verdubbeling van het aantal mensen tot 16 miljoen; dat maakt ons tot het Europese land met het hoogste aantal inwoners per vierkante kilometer. De meeste overlast ontstaat door de vele woningen die overal zijn gebouwd, de torenflats, de industrieterreinen, de wegen die dwars door bos en hei gaan, en vooral door alle vormen van verkeer. In 1938 waren er twee brandende problemen; de werkloosheid bedroeg 20% van de beroepsbevolking en er was de dreiging van de oorlog. Hitler was in Duitsland aan de macht sinds 1934, en zijn stem klonk angstaanjagend uit de radio. Hij wilde Europa veroveren en hij wilde naar het oosten want hij had Lebensraum nodig voor zijn Grosz – Deutsche bevolking. De Nationaal-socialisten wilden groot en machtig worden; veel kinderen betekende veel soldaten. In 1940 kwamen de nazi’s in Nederland op bezoek, en dat hebben we geweten. Ik sla deze periode over, want wat er toen gebeurde is te afgrijselijk voor woorden. De bevolking kromp door de deportaties en de honger.

In 1945 werden we bevrijd. Toen dook, vreemd genoeg, de gedachte op dat er te veel Nederlanders waren. Want er kwam een Minister van Economische Zaken (hij heette J.R.M. van den Brink) die vond dat Nederland moest industrialiseren. Dat strookte met de geest van de tijd, maar hij maakte er een sterk punt van en hij wilde deze gedachte met kracht uitdragen. Er werden dus Industrialisatienota’s geschreven. Ik zat toen op het departement als ambtenaar en mocht helpen bij het schrijven van die stukken. De grote inspirator was dr. A.Winsemius. In de discussies, onder andere met het pas opgerichte Centraal Planbureau en het Ministerie van Sociale Zaken, bleek al gauw dat de taakstelling voor de investeringen erg hoog was gegrepen. Dat halen we nooit, was de mening bij de sceptische tijdgenoten. Dus besloot de regering de Nederlander aan te raden het land te verlaten en zich te vestigen in Canada, Australië of de Verenigde Staten. Er werden premies uitgeloofd om te emigreren en er kwam en Commissaris voor de Emigratie: ir. B.W.Haveman. In die tijd verlieten veel gezinnen het land.

Maar de industrialisatie slaagde boven verwachting; het optimisme en de energie van Winsemius hadden de slag gewonnen. Er werden wat fiscale maatregelen getroffen en er werd geld van de Marshallhulp in een paar bedrijven gestopt (de Hoogovens), maar de ondernemers profiteerden vooral van de conjunctuur. Door de investeringen, niet alleen in de industrie maar ook in de landbouw, nam de welvaart toe. Er was een periode waarin de bevolkingsomvang geen probleem was. Er woonden in 1960 12 miljoen mensen in Nederland. De productie steeg met een groeitempo van 3 à 4% per jaar. Dat waren de Gouden Jaren zestig. In die tijd begonnen de consumenten de nieuwe luxe te ontdekken. Die bestond vooral uit auto’s en uit vliegreizen. Het land werd opeens veel voller – niet zozeer met mensen, maar met de materiële spullen die ze bij zich hadden. Langs de stoepen, op de parkeerplaatsen en in de garages stond het wagenpark. Het was soms moeilijk om een plaats te vinden. Een ander voorbeeld was de pleziervaart. Er kwamen kleine bootjes op het water, toen grote boten en motorjachten. Wij kwamen in die tijd veel in Durgerdam. Op het IJsselmeer waren die schepen te zien – ze lagen in de haventjes. En de dijk langs het IJsselmeer werd vergeven van de auto’s. Vooral op zondag was het een drukte van belang. De volte was weliswaar lokaal, maar zo ging het overal. Dit kleine voorbeeld – uit het leven gegrepen, want één van onze kinderen woonde in die tijd in één van die huisjes aan zee, met drie kinderen van zichzelf – is exemplarisch voor wat overal in het land aan de gang was.

Daar gebeurde wat economen de micro-macroparadox noemen: wat goed is voor de enkeling (een praktische auto om mee naar mooie plekjes te rijden, een zeilboot om het water op te gaan.) kan slecht uitpakken voor het geheel – namelijk zodra de grens wordt overschreden van te vol en te veel. De voorbeelden liggen voor het oprapen. De auto’s, en dan niet alleen op kleine weggetjes, maar op de nieuw aangelegde snelwegen. Het vliegtuig, een prachtige uitvinding die ons brengt naar Kreta en Santorini; maar wat kan het vol worden op die eilanden, vooral het kleine Santorini is in het hoogseizoen volgepakt met toeristen. En hoe verschrikkelijk vol is het bij Schiphol! In de lucht en op de grond. Deze luchthaven heeft zich, wat de overlast betreft, uitgebreid over heel Nederland.

Het is een anoniem gebeuren, maar het bleef niet onopgemerkt. In 1970 ontdekten en aantal economen dat er grenzen zijn aan de groei. Mishan schreef The Costs of Economic Growth – die kosten zijn hoger dan ze bedrijfseconomisch lijken. Een beslissend boek verscheen in 1972: The Limits to Growth door Dennis Meadows en Jay Forrester. Dit rapport is de geschiedenis ingegaan als het Rapport van de Club van Rome. Het was een tamelijk technisch verhaal over de uitputting van grondstoffen en de vervuiling van de zee en het was voor het eerst dat er een computermodel was gebruikt. Die computer voorspelde de ondergang van de wereld. Het rapport sloeg in als een bom. Sicco Mansholt, kampioen van de graanproductie in Europa, viel van zijn geloof. De journalist W.L.Brugsma, columnist van Elsevier, voorspelde week in week uit de ondergang van de wereld, te beginnen met Nederland. Ik schreef in die tijd diverse artikelen, speciaal in de ESB, waarin het nieuwe pessimisme werd verdedigd; maar ook wel met kritische kanttekeningen. Zo geloofde ik dat schaarse grondstoffen duur zouden worden, en dat zou de technische vooruitgang stimuleren om daar zuiniger mee om te gaan. In Den Haag werd de Werkgroep Toekomst opgericht om de zaak wat te relativeren. Daar zat G.A.Wagner in, president-commissaris van de Shell, Justman Jacob van de Hoogovens en drie economen: Jan Tinbergen (Nobelprijs economie van 1969), Jelle Zijlstra (van De Nederlandse Bank) en Jan Pen, die met het milieuprobleem vertrouwd was omdat hij samenwerkte met R.Hueting, die later zou promoveren op Nieuwe Schaarste en Economische Groei (1974). Deze werkgroep bracht een rapport uit (Werk voor de Toekomst, 1972) waarin zuinigheid werd bepleit met energieverslindende activiteiten (geen auto als het ook op de fiets kon) en bovenal: het aantal mensen moest ophouden met groeien. Tinbergen en Pen wilden voor Nederland naar een krimpende bevolking. Vijf miljoen vonden we eigenlijk wel genoeg. Dan zou de productie per hoofd zich kunnen verdubbelen zonder dat het milieu er op achteruit ging.

Deze doelstelling was dus lager dan die van de Club van Tien Miljoen! Wie het niet gelooft kan naar de bibliotheek gaan en daar het rapport opvragen – het staat op naam van Ir.Beek, een van de bazen van Unilever. Er wordt aanbevolen dat het autoverkeer wordt afgeremd, dat speciaal in de steden ruim baan moet worden gemaakt voor de fiets en dat er milieuheffingen moeten komen.

In diezelfde tijd kreeg ook de Nederlandse regering in de gaten dat Nederland behoorlijk vol begon te raken – met auto’s en ook met huizen en flatgebouwen. En dus met mensen. Maar over die overbevolking werd zeer verschillend gedacht. Daarom werd de Staatscommissie Bevolkingsvraagstuk ingesteld, genoemd naar de voorzitter – de Commissie Muntendam. Die was breed samengesteld – er zaten christelijke mensen in en atheïsten, vertegenwoordigers van de medische wereld (sommige artsen vonden dat het medisch niet verantwoord was om vrouwen zéér veel kinderen te laten krijgen), de Gezinsraad, een paar Kamerleden. Namens de wetenschap (de KNAW) zat Tinbergen erin en ik was zijn plaatsvervanger. We vergaderden in het gebouw van de SER dat het een lieve lust was. Ik heb daar veel geleerd van de demograaf Dick van der Kaa, die een computermodel demonstreerde met geboorte- en sterftecijfers. Hij heeft mij ervan overtuigd dat die vijf miljoen die de Werkgroep Toekomst had genoemd, niet gehaald kon worden. Want we zaten toen op zo’n veertien miljoen. Zelfs bij een geboortecijfer van nul zou het een eeuw duren voor we op dat lage niveau aankwamen. Ik herinner me nog dat hij zei: “Dan moet je er een mitrailleur op zetten.” Dus legden Tinbergen en ik ons neer bij het idee van een stationaire bevolking. Dat was de wens van Muntendam – hij hoopte zo de vrede in zijn commissie te bewaren. Maar wat gebeurde er? In het eindrapport van 1976 stond opeens een kleine bijlage, die later aan de eindtekst was toegevoegd; “Onttrekking aan de consensus” heette het briefje en het was ondertekend door Til Gardeniers (katholiek) en Hanny van Leeuwen (gereformeerd). Ik heb toen Tinbergen gevraagd of wij samen misschien een soortgelijk briefje zouden meesturen, maar dat mislukte door tijdgebrek en omdat Tinbergen (hij was geboren in 1903) fysiek een moeilijke tijd doormaakte.

Dit kleine incident kreeg onlangs een merkwaardige nasleep. Op 22 oktober 2004 werd in Amsterdam de zogeheten Tinbergen Lezing gehouden. Dat is een prestigieuze aangelegenheid, en deze keer op de bovenste verdieping van de Nederlandsche Bank in Amsterdam. De spreker was Hans-Werner Sinn, hoogleraar aan de Universiteit van München en een befaamd econoom in Duitsland. Ik las het verslag in de Economist (zelf kan ik niet meer zo ver van huis) en wist niet wat ik las. De titel is Europe’s Demographic Deficit, A Plea for a Child Pension System. Sinn is van mening dat Europa, maar vooral Duitsland, geen toekomst heeft door het lage geboortecijfer. De bevolkingspiramide krijgt een steeds smallere basis en ziet er tenslotte uit als een kerstboom. Zijn betoog is sterk moralistisch: de huidige generatie is opgegroeid in overdadige luxe en gaat liever met vakantie naar de Maladiven dan dat ze doet wat behoort te gebeuren: een gezin stichten. De bejaarden worden steeds ouder en nemen de macht over. Sinn gebruikt de term “gerontocratie”. De creativiteit gaat te loor. Hij wil dit proces tegenhouden door sterk verhoogde kinderbijslagen en boetes voor kinderloze gezinnen. Ik dacht even: dit is een persiflage. Vooral de overdreven beschrijving van de ondergang van Europa leek mij een voorbeeld van een misplaatste grap. Maar het was serieus bedoeld en bovendien ontdekte ik dat Sinn in 2004 een boek had geschreven: Ist Deutschland noch zu Retten? Het is een bestseller die acht drukken heeft beleefd. Ik heb dus een tegenstuk geschreven, dat afgedrukt is in De Economist van 2005. Het heeft als titel dat deze voordracht volledig in strijd is met de geest van Tinbergen.

De diagnose van Sinn is volgens mij volkomen verkeerd. Duitsland lijdt niet aan een tekort aan jonge mensen, maar aan het tegendeel. Het Roergebied werd na 1960 overbevolkt, met jong en oud; de werkende mensen ontvluchten hun land, een of twee keer per jaar, om naar Mallorca te gaan. Een prachtig eiland, tot de toeristen, van alle nationaliteiten, samen komen in de hotels en op de stranden. De gepensioneerden vestigden zich er blijvend. De overbevolking van Duitsland verspreidt zich zo naar de Middellandse Zee en de Canarische eilanden. Waar het eerst stil was wordt het behoorlijk druk en vol. Het ergste van de voorstellen van Sinn is dat ze volledig voorbijgaan aan de milieuvervuiling die het gevolg is van de groeiende bevolking. Hij had geen boetes moeten uitdelen aan kinderloze gezinnen maar aan de vervuilers van het milieu. Dat zijn dus ecoheffingen. De vervuilers moeten worden bestraft; kinderloze gezinnen zouden eigenlijk beloond moeten worden met premies en belastingfaciliteiten. Dit gaat zelfs mij te ver, maar het is een discussie waard.

Omdat ik deze persoonlijke herinneringen graag met een opgewekte noot zou willen laten eindigen wijs ik even op een mooi moment. Het is, behalve een enkele waarnemer, niemand opgevallen maar de Nederlandse bevolking is in 2005 eventjes gekrompen. Voor het eerst sinds 1945. Dat blijkt uit de statistiek, die door het CBS wordt gepubliceerd. Er wonen nu 16 mln. mensen in Nederland. Ik zou het ook niet gemerkt hebben als Joop Hartog (van de Universiteit van Amsterdam) er niet een vrolijk stukje over had geschreven in de ESB. De toon is: de vlaggen uit!

Helaas zou ik mijzelf dan blij maken met en dooie mus. Want de groei van het BNP gaat door, en dus het aantal auto’s, het aantal woningen, het aantal vliegbewegingen. Ook hier in Haren, in de jaren zestig een rustig dorp, is de volte doorgedrongen. Het zijn de mensen niet, maar de dingen die het doen. Of, om eens economentaal te spreken, het BNP, het Bruto Nationaal Product. Dit is een door vrijwel alle politici en veel economen gehanteerde grootheid. Die grootheid moet omhoog! Een stijging, ook wel economische groei genoemd, wordt verwelkomd. In ondernemerskringen en zeker op het Ministerie van Economische Zaken is deze groei het criterium geworden voor succes. Maar er zijn in Nederland een paar economen die niet meedoen aan de waan van de dag. Roefie Hueting is er zo een en verder J.C.J.M. (Jeroen) van den Bergh, hoogleraar milieueconomie aan de Vrije Universiteit. Hij schreef in de ESB van 18-11-2005 een artikel met de provocerende titel: BNP – weg ermee. Hij bepleit de politiek te richten op het welzijn der volkeren; dus op de leefbaarheid in de steden en op het platteland. Hij wijst ook op het uit empirisch onderzoek (vooral door B.M.S. van Praag en A. Kapteijn) gevonden resultaat, dat mensen hun behoeften laten meedrijven met de bevrediging ervan. Daardoor gaat een deel van hun welvaart teloor. En als ze dan ook nog eens extra inkomen nodig hebben om mee te doen met hun buren, hun familieleden en hun collega’s, gaat de rest van de satisfactie door de gootsteen. Het gaat dus om inkomensverhoudingen – naarmate die minder ongelijk worden, worden de mensen gelukkiger. Dit is een links pleidooi waar ik me graag bij aansluit. (Ook te vinden bij Richard Layard: Happiness: Lessons from a New Science, Londen 2005). En verder moet volgens mij de stijging van de productiviteit worden omgezet in meer vrije tijd; die moet worden besteed aan huiselijke genoegens, veel lezen en muziek maken. Niet in de auto. In Amsterdam en in De Lemmer, en zelfs in het dorp Haren waar ik nu woon. Want ook hier is het in de laatste 25 jaar (de tijd dat ik hier woon) behoorlijk vol geworden – met woningen, flats, wegen en auto’s. Er staan soms al files op de wegen tussen Assen en Groningen en iedere nieuwe woning verdringt een stukje weiland. Zelf woon ik heel riant in een vrijstaand huis met een tuin, er staat een piano; ik ben dus geëindigd waar ik in 1921 ben begonnen: geen last van de volte. Maar dat is een microstandpunt, en tamelijk egoïstisch. Ik ben ver in de tachtig, en mijn tijd is bijna op. Mijn kinderen en vooral mijn kleinkinderen wonen in een wereld waar de overbevolking zich verspreidt vanuit grote landen. De Chinezen komen er aan, en dan niet als het “gele gevaar”, maar als prettige toeristen die in bussen door het land rijden, overal foto’s maken en naar huis sms’en. Het zal nog druk worden in Amsterdam – tenzij er krasse maatregelen worden genomen, zoals bepleit door de Club van Rome.

Wereldbevolking

earth Ervaringen met de volte - Stichting de Club van Tien Miljoen