Overpopulation Awareness is de website van Stichting De Club van Tien Miljoen

Slide background

De wereld is te klein voor ons

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Druk hè!?

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Een goed milieu begint met de aanpak van overbevolking

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Ga heen en vermenigvuldig u niet

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Grenzen aan de groei

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Hoe meer zielen, hoe meer file

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Mensen met kinderwens zijn dubbel verantwoordelijk voor de toekomst

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Overbevolking = overconsumptie

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Stop de uitputting en vervuiling van de aarde

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

Te weinig welvaart voor teveel mensen

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

We houden van mensen maar niet van hun aantal

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

Slide background

We kunnen de mensheid niet op haar beloop laten

Steun ons in de strijd tegen overbevolking!

dinsdag, 13 november 2018 18:40

Geen kwestie van ethiek

Paul Gerbrands, historicus

De mens kan alles beheersen maar niet zichzelf

Nauwelijks een paar duizend jaar geleden leefden volken in stammen. Indianen in Amerika en Germanen in Europa leefden soms met ongeveer 90 mensen op een gebied van 200 km2. Er was sprake van een economische afhankelijkheid van de omgeving.

Die afhankelijkheid bepaalde het aantal mensen. De natuur bood immers alle voedsel en in tijden van tegenvallende oogsten moesten er passen op de plaats worden gemaakt. Soms werd het besluit tot een tijdelijke stop op het bouwen van nieuwe hutten genomen door de stamoudsten onder leiding van het opperhoofd. Een dergelijk besluit moest leiden tot een beperking van de groei van het aantal stamgenoten. ‘Huwelijken’ mochten dan een tijdje niet gesloten worden. Bij te slecht uitvallende opbrengsten van de jacht en de landbouw, maar ook bij ruzies binnen een stam kon een stam worden opgesplitst. Verhuizing van een deel van de stamgenoten naar verre vruchtbare gronden kwam nogal eens voor. De reden ervan was duidelijk relatieve overbevolking vanwege gebrek aan vruchtbare grond in een tijd dat de mens op aarde nog een marginaal verschijnsel was.
De geschiedenis leert ons dat er ware ontdekkingstochten voor nodig waren, voordat de verhuizers zich definitief ergens anders wilden of konden vestigen. Bewezen is dat indianenstammen duizenden kilometers opschoven en soms wel een half continent of meer overstaken op zoek naar een nieuwe toekomst. Vanuit Griekse steden werden al voor Christus kolonies gesticht aan verre kusten van het westelijk deel van de Middellandse Zee. En Noormannen trokken vanuit Scandinavië zelfs de Atlantische oceaan over. Zij zochten hun geluk in wat warmere orden en kwamen rond het jaar 1000 in zuidelijker streken van Europa terecht. Het verschijnsel landverhuizing is van alle tijden en komt nog dagelijks voor. Tegenwoordig heet dat migratie. De aantallen mensen waar het nu om gaat zijn wel fors hoger geworden.

Dit proces van rondtrekken en verhuizen van mensen op zoek naar een beter leven kenmerkt heel de menselijke geschiedenis. De vindingrijkheid van de mens bij het zoeken naar overlevingskansen is een bijna onuitputtelijke bron van creativiteit gebleken. Na het droogleggen van moerassen en meren, het indammen van baaien en rivieren en het omdijken van stukken zee ontstonden er dorpen en steden die tot op de huidige dag soms een harde strijd met het water moeten voeren om te overleven. Soms ontstonden dorpen op een kunstmatig opgeworpen heuvel, een terp, of zelfs in zee. Bekend zijn de woonplaatsen van de Azteken die in inhammen van de zee verrezen. Veel van deze werken worden door de geschiedenis nog steeds als heldendaden gezien. Het krijgt navolging want tegenwoordig zijn er zelfs plannen voor het bouwen van steden op het water voor de Zuid-Hollandse kust.

Het kappen van bossen, het aanleggen van irrigatiewerken en later het gebruik van mest en kunstmest waren het logische vervolg op de door de mens ingezette uitbreiding van zijn territorium.
Vandaag zijn daar invriezing van voedsel, genetische manipulatie van granen, klonen van dieren en het maken van surrogaatvoedsel bijgekomen. Hiermee wordt telkens de hongergrens een beetje opgerekt. Tot nu toe ging dat steeds goed. Maar wat heet goed, waar in de laatste vijf eeuwen de westerse kolonisatie van hele werelddelen nodig was om de economie draaiende te houden en waar miljoenen slachtoffers zijn gemaakt. De enorme bevolkingsgroei en de daarmee samenhangende economische uitbreidingsplannen van zowel arme als rijke landen roepen zo langzamerhand het beeld op van een niet te stuiten groeimonster. De mens verlustigt zich aan alles wat eetbaar is en zal doorgroeien totdat de ruiten van het menselijke aquarium open barsten. Anticiperen op de tien miljardste wereldburger die er volgens de Verenigde Naties aankomt, zal de noodzaak van verkenning van de ruimte alleen maar groter maken, tenzij we willen afzien van ons primitieve gedrag van eeuwigdurende uitbreiding. De vraag is of de menselijke soort het recht heeft zover door te groeien dat al het andere leven op aarde en wellicht daarbuiten aan hem ondergeschikt of onmogelijk wordt gemaakt of door hem zelfs bewust wordt uitgeroeid. Het klinkt puur zakelijk en weinig ethisch, maar dankzij de moderne techniek lijken wij als soort vast besloten ons weinig aan te trekken van opvattingen dat niet langer alles mogelijk en beheersbaar zou zijn. De mens lijkt, door overmoed en gebrek aan maatgevoel overmand, in zijn uitbreidingsdrift de weg van de humaniteit definitief te hebben verlaten.

Het ontbreekt ons helaas maar al te vaak aan enig historisch besef. Wie nu leeft, weet vaak niet beter dan dat wonen in een stad met een paar miljoen inwoners heel normaal is. Maar de steden in bijvoorbeeld het middeleeuwse Europa waren zowel in aantal als in omvang zeer gering. Zo telde Frankrijk halverwege de Middeleeuwen slechts enkele tientallen steden met ieder hooguit 40.000 inwoners. En Amsterdam vervulde tijdens de tachtigjarige oorlog met ongeveer 30.000 inwoners een hoofdrol als de grootste stad van de noordelijke Unie. En ook realiseren weinig lieden zich niet dat een inwoner van Mongolië of Namibië anno 2006 een grote kans loopt binnen een straal van één kilometer slechts één andere persoon tegen te komen. Mongolië telt nu minder dan drie miljoen inwoners en is ongeveer even groot als heel West-Europa. Namibië oogt even groot als Frankrijk en telt ruim twee miljoen inwoners. Dit soort gegevens is voor veel mensen de reden om sterk relativerend te praten over het verschijnsel overbevolking. Ten eerste omdat deze landen een nog onbeperkt aantal mogelijkheden zou bieden voor verdere migratie in de wereld. Ten tweede omdat de wetenschap steevast wordt gezien, en vaak niet door minste onder ons, als dé garantie voor het oplossen van alle problemen die de mens bij een verdere economische groei in de weg zouden kunnen staan. Maar met het vooruitzicht dat er nog deze eeuw tien miljard mensen wonen op de aarde moet er toch nog heel wat wetenschap ontwikkeld worden om iedereen een menswaardig bestaan te geven. Leven met zovele mensen op deze planeet is alleen mogelijk als het leven van bijvoorbeeld een Tibetaanse monnik ons aanspreekt en ieder van ons genoegen zou nemen met ’s morgens een kopje thee en wat rijst, ’s middags een maïskoek en ’s avonds twee gekookte aardappelen. Maar wie vooralsnog de westerse welvaart met de toenemende eisen van de westerse consument als maatstaf neemt, zou menselijkerwijs moeten schrikken van het kleine aantal mensen waar Moeder Aarde voor de lange termijn op gerekend heeft. Want berekend is dat met het huidige welvaartsniveau van West-Europa de aarde slechts duurzaam energie en voedsel voor drie miljard mensen kan leveren.

Het verschijnsel van de industriële revolutie is pas enkele eeuwen oud. De I.R. heeft Adam Smith geïnspireerd tot het onderzoeken van de mogelijkheden van een verdeling van de aardse grondstoffen onder de volkeren. Dat onderzoek heeft in de vorige eeuw opnieuw aandacht gekregen, nu van een kleine erudiete groep wetenschappers die in de twee helft van de 20e eeuw hun rapport in Rome openbaar maakten. Aan de belangstelling voor het Rapport van de Club afgemeten zou een buitenstaander van deze planeet de indruk kunnen krijgen dat er eigenlijk geen grondstoffenprobleem is. Zowel het bedrijfsleven als de vakbonden, de overheden en de Europese volken worden dienaangaande gekenmerkt door een grote kortzichtigheid. De domste maar serieus bedoelde opmerking die ik ooit hoorde over de overbevolking van Nederland was dat er vanuit het vliegtuig nog enorm veel lege plekken te zien zijn. Bovendien was dat allemaal groen. Alsof dat geen gebieden zijn waar veehouderij en landbouw woekeren met een tekort aan ruimte.
De voortdurende dreiging van een tekort aan olie noopt tot meer investeren in kernenergie. Maar dat roept terecht op een breed front verzet op. De ruwe olie is over minder dan veertig jaar verleden tijd. Intussen heeft Europa zich in zeer grote mate afhankelijk gemaakt van de toelevering van gas uit Rusland. Het lijkt onnozel, maar het is een gegeven dat niet zou misstaan in een film over Kafka. De economische uitlevering van de vrije wereld aan twee totalitaire machtsblokken: het dictatoriale Rusland dat vecht tegen een te grote democratische Europese Unie en de Arabische wereld die nog steeds niet over zijn historische wrok tegen het rijke westen heen kan stappen. Het alternatief hiervoor is kernenergie. Maar dat is nog erger want dat draagt de kiem in zich van een zelfvernietiging die drastischer is dan een afhankelijkheid van welk totalitair stelsel ook. Over vijftig jaar heeft de politieke tak van ‘Crime Scene Investigation’ haar handen vol aan deze historische thriller.

Gebrek aan historisch besef openbaart zich ook wanneer wordt uitgesproken dat het aantal van bijna 500 miljoen inwoners in het huidige Europese Unie onvoldoende zou zijn om de economie draaiende te houden. Het klinkt alsof de economie een heilig doel op zich is zonder dat er enige relatie zou zijn tot zaken als welbevinden, ethiek, verantwoordelijkheidsbesef en duurzaamheid. Ooit had het grondgebied dat nu Nederland heet met ongeveer 200.000 inwoners dezelfde bevolkingsdichtheid als Australië nu heeft. Door dit gebrek aan feitenkennis lijkt het de normaalste zaak van de wereld dat Nederland nu ruim 16 miljoen inwoners telt. Het is aannemelijk dat de aanwezigheid van 18 miljoen mensen in Nederland over enkele jaren reden tot bezorgdheid is. Waarschijnlijk zal die bezorgdheid beperkt blijven tot de vraag hoe de welvaart te behouden. Alleen de irritatie vanwege nog meer files zal groter zijn. Besef bij een groot deel van de bevolking over zaken als slechte ecologische ontwikkelingen en het ontbreken van duurzaamheid, wordt mede dankzij kortzichtige politieke beloftes bij verkiezingen voorlopig niet bevorderd. Het omgekeerde effect lijkt juist te worden bewerkstelligd. Want mensen raken geïrriteerd wanneer hun mogelijke rampscenario’s worden voorgehouden over hun toekomst worden voorgehouden. En het vergelijken van Australië met Nederland is voor velen een even waardeloze vergelijking als van appels met peren. Mensen zien liever dikke wetenschappelijke rapporten die aantonen dat het fout gaat. Dan kan er vervolgens eerst een wetenschappelijke discussie ontstaan over de waarde en het nut van zulke rapporten. Vervolgens kan er gekozen worden voor symptoom bestrijdende oplossingen. Die hebben altijd een tijdelijk effect. Intussen wordt het steeds moeilijker voor echte maatregelen en gaat de wereldbevolking al discussiërend ten onder. Misschien is dat de redding van de wereld maar dan wel zonder mensen. Maar of dat nu een ethische benadering is van het vraagstuk overbevolking? Voorlopig blijft het meest gehoorde argument dat de wal het schip wel zal keren. De bekende struisvogelpolitiek: de kop in het zand. Terugkeer van 16 naar 10 miljoen inwoners van Nederland is binnen vijftig jaar op een verantwoorde wijze te verwezenlijken, mits daarvoor een politiek en maatschappelijk draagvlak is. Het zou in ieder geval dit kleine stukje grond tijdelijk veel meer leefbaarheid geven en daarmee een grotere kans op overleving. Bij vijf miljoen wordt de overlevingskans pas echt groot. En bij 300.000 inwoners is de duurzaamheid optimaal. Dat is waarschijnlijk de situatie die zal worden bereikt, nadat hier, zoals al eerder op Paaseiland gebeurde, de wal het schip heeft gekeerd. Een maatschappelijk debat over dit scenario zal vanzelfsprekend veel onrust en narigheid onder de bevolking te weeg brengen. Maar de gevolgen van het bewust uit de weg gaan van een dergelijke confrontatie zijn groter dan in het geval van een allesvernietigende oorlog. Wie dat op zijn geweten heeft, zal menige dictator in onmenselijkheid overtreffen.

Als het gaat om het maken van vergelijkingen dringt China zich op de voorgrond als overbevolkt land. De bevolkingsdichtheid van China staat op ongeveer 130 mensen per km2 en Nederland staat op 484. Vergeten wordt dat China met ruim 1,3 miljard inwoners een enorm achterland heeft dat zo groot is als Europa en waar bijna nooit iemand komt. In die uitgestrekte gebieden wordt de vrije natuur niet aangetast door stinkende schoorstenen en vuilnisbelten. Daar kan de natuur nog een buffer opbouwen tegen de natuurbedreigende, oprukkende economieën. In Nederland is geen enkele uitwijkmogelijkheid meer. Het met elkaar vergelijken van dit soort Chinese en Nederlandse gegevens legt wel feilloos de vinger op de zere plek. Ons westers niet te stoppen streven naar meer welvaart, groei en vooruitgang wordt zelden of nooit gehinderd door het besef dat het aantal mensen daarin bepalend is voor de duurzaamheid van die welvaart. De Chinezen hebben tenminste nog in de gaten dat hun bevolkingsgroei een duurzame economische ontwikkeling in de weg staat. Dat China in zijn bevolkingspolitiek niet democratisch te werk gaat en de mensenrechten schendt, is slechts een detail in de loop van het wereldgebeuren. Want Europa legt nu de basis voor veel meer menselijk leed op de lange termijn. Het is onder andere hoofdschuldige aan het verdwijnen van de regenwouden. Dit laat een ander licht schijnen op een land als Brazilië. Dit land met zijn geringe bevolkingsdichtheid van 21 mensen per km2 zich ziet zich genoodzaakt haar regenwoudenwouden te kappen, omdat ook Nederland zelf totaal geen hout meer opbrengt behalve voor de aanmaak van wat spaanplaat. Ons verantwoordelijkheidsbesef is zoek en onze vraatzucht groot. Het lijkt erop dat zelfs de boot met de laatste hardhouten kozijnen uit Brazilië enthousiast in de Rotterdamse haven zal worden opgewacht door de hoogste bieders. Dat is nog erger dan mensenrechten schenden.

Maar er zijn wel verantwoordelijke mensen die zich druk maken om het behoud van het oerbos, de redding van de sterk vervuilde en overbeviste zeeën. Vooral het dumpen van afgewerkt uranium in zee krijgt veel belangstelling. Maar het lijkt erop dat ook die mensen oogkleppen op hebben. Zij willen niet inzien dat juist het aantal mensen zeer bepalend is voor de hoeveelheid energie, hout en vis die dagelijks verkocht moet worden. De overdadige consumptie van nu nog maar een klein gedeelte van de wereldbevolking is daarmee naast het grote aantal wereldbewoners de hoofdschuldige aan het vernietigingsproces van het milieu. Over enkele decennia zal in de nu nog relatief arme gebieden van de wereld, China voorop, rijkdom ook een normaal verschijnsel zijn. Het gevecht om de symbolische boot met de laatste lading olie, haring of hardhout zal tot een wereldcrisis zonder weerga leiden. Daarom zouden zowel Greenpeace als Milieudefensie, Natuurmonumenten en vele andere organisaties zich nu al moeten uitspreken over wat ook hen te doen staat in zake de overbevolking. Dat ter sprake brengen zou hun hoofdtaak moeten zijn. Maar zij geven er tot op dit moment de voorkeur aan zichzelf in stand te houden. Prijken met een hoog aantal donateurs en een gigantische bankrekening wekt indruk. Maar hun sterspotjes draaien om de hete brei heen. En hier en daar een stukje natuurgebied aankopen is vertederend, maar leidt tot niets. Kiezen voor een fundamentelere houding zou ongetwijfeld ten koste gaan van enige honderdduizenden donateurs of leden. Want die zien in de bestrijding van de overbevolking eerder een reële aantasting van hun persoonlijke levenssfeer dan een bijdrage aan de redding van de wereld. De vraag aan al die nobele organisaties is of het hun te doen is om zelf te overleven of dat er misschien toch nog hogere doelen zijn. Het is waarachtig duurzamer in figuurlijk opzicht een hek om de mens te zetten dan een oppervlakte af te bakenen waar tijgers en walvissen ongestoord mogen leven.

Het visserijbeleid van de Europese Unie wil ook de kool en de geit sparen. Verschillende vissoorten leggen al het loodje en alleen de vissersvloot wordt ingekrompen. Maar het aantal monden neemt alleen maar toe. Tegelijkertijd komen er steeds meer adviezen van allerlei milieu-instanties en gezondheidsinstituten om minder vlees te eten en meer vis. Dat wordt dan lastig met bijna 500 miljoen inwoners voor de EU. Nu al halen Nederlandse en vooral Spaanse vissers door de nood gedwongen hun vangst ver buiten de traditionele visgebieden en komen daar in conflict met beroepsgenoten uit andere landen. In China gaat het ondanks de bevolkingspolitiek helemaal mis met de visserij. Op dit moment neemt de bevolking van China ondanks de één kindpolitiek stevig toe. Tegelijkertijd stijgt er de welvaart. Volkomen terecht willen ook de Chinezen hun levensgeluk zien toenemen zoals de rijken uit het westen dat al eeuwen doen. Zowel de vlees- als de visconsumptie zal naar alle waarschijnlijk binnen vijftien jaar verdubbelen. De gemiddelde Chinees is nu nog tevreden met een sobere maaltijd van twee visjes per week ter grootte van een haring. Maar als iedere Chinees over enkele jaren zich twee vissen per week extra kan veroorloven, dan komt zijn wekelijkse verbruik op vier vissen. De totale visvangst zal dan, gerekend over 52 weken maal vier visjes voor 1,4 miljard Chinezen, uitkomen op ruim 290 miljard visjes in één jaar. Over een periode van tien jaar zijn dit ruim 2.900.000.000.000 visjes. Hier gaat nog maar om ongeveer een kwart van de wereldbevolking. En dan maar tegen beter weten in hopen dat vis als diersoort niet uitsterft. Op zijn minst zou de rest van de wereld dan helemaal geen vis meer moeten eten. De verwachting is reëel dat alleenstaande Chinese mannen die in China geen vrouw meer kunnen vinden ook in de buurt van de Noordzee komen hengelen naar een sociale toekomst. En dit is nog maar één scenario van een totale menselijke ontreddering dat alle immigratieproblemen op wereldschaal tot nu toe zal verbleken. Straks zal de wereld het uitschreeuwen om een bevolkingspolitiek.

Met de voorraad drinkwater is het nog erger gesteld dan met de voorraad vis. Een voorbeeld aan de hand van de situaties op IJsland en in Algerije kan dit verduidelijken. Op IJsland wonen minder dan 300.000 inwoners. Hun watervoorraad is enorm groot. Zelfs heet water komt er uit de grond. En al dat water is behoorlijk schoon. Uitgaande van de voorraad water die een duurzaam gebruik ervan door mensen mogelijk maakt zou een onderzoeker kunnen concluderen dat er op IJsland misschien wel genoeg water is voor duurzaam gebruik door vijf miljoen mensen. Maar de beperking van het aantal inwoners wordt op IJsland ingegeven door de veel grotere behoefte aan voedsel dan aan water. Omdat de hoeveelheid vruchtbare grond daar volstrekt ontoereikend is voor voedsel aan 300.000 mensen, zal het inwoneraantal moeten afnemen of constant blijven, als men in IJsland niet afhankelijk wil worden van een constante aanvoer van nog meer voedsel van overzee.
Voor een land als Algerije geldt het omgekeerde voor water. Dit land zou iets moeten doen aan zijn relatief te hoge inwonertal van ruim 32 miljoen inwoners. Door kosten noch moeite te sparen moeten geldverslindende irrigatieprojecten opgezet worden. Door geldgebrek komen nu al andere levensbehoeften in de knel en is er zelden geld beschikbaar voor maatschappelijke vooruitgang. Maar door boventallige inwoners te laten vertrekken naar vruchtbaardere streken in de wereld zoals Frankrijk, wordt het probleem van een te veel aan mensen afgewenteld op andere landen. Migratie zorgt in feite voor een verschuiving van de problemen. Algerije zou natuurlijk ook met enorme watertankers drinkwater kunnen importeren uit IJsland of de noordpool. En IJsland zou natuurlijk scheepsladingen vol voedsel uit Frankrijk of Spanje kunnen laten komen. Maar de kosten van dergelijke projecten, inclusief de brandstof voor vervoer, de inpakmaterialen en allerlei infrastructurele voorzieningen rechtvaardigen niet de eindeloze verspilling die in het geval van een regionale, duurzame economie achterwege zouden kunnen blijven. De huidige verspilling in de vorm van de vervoerskosten zal op den duur eindig blijken te zijn. Het moment van volledige economische stagnatie zal echter altijd onverwachts zijn en nooit goed uitkomen, want mensen hebben zelfs in crisistijd de neiging hun aanwezigheid op aarde nadrukkelijker en intensiever te laten zijn dan economisch en ecologisch verantwoord is.

De gekte van het huidige transport over de hele wereld is een impliciet pleidooi voor een regionale economie. Zo leggen kiwi’s vanuit New Zeeland naar Europa zo’n 18.000 km af om hier te kunnen worden opgegeten, terwijl wij ook zouden kunnen volstaan met tomaten of andere regionale vruchten. Het probleem van het dure vervoer geldt niet alleen voor voedsel maar ook voor de wereldhandel in kleding, brandstof, alle soorten grondstoffen en voor alles wat een samenleving van mensen nodig heeft. Duidelijk is allang dat het openbreken van de grenzen, een proces dat al eeuwen aan de gang is, meestal zeer langdurig de rijke landen ten goede komt. De toenemende globalisering, een versnelde openbreking van de grenzen, roept om maatregelen. Want dichtbevolkte, rijke landen plunderen alles leeg om hun consumptieve behoeften te bevredigen. Zij halen zelfs goed opgeleide mensen weg uit ontwikkelingslanden om hun eigen economische continuïteit en welvaartspeil veilig te stellen. Op deze manier is er geen beginnen aan voor armere landen om in hun eigen economie te investeren. Wel wordt er op arme landen een beroep gedaan als bron van tijdelijke, goedkope arbeidskrachten. Die werken, soms digitaal op afstand, voor een laag loon of mogen als contractarbeider enige jaren meedraaien in de westerse economie. Sommigen gaan hun geluk beproeven in het land van de euro of de dollar. Ongetwijfeld levert dat op den duur een enorme geldstroom op naar de achtergebleven families die de emigranten ooit in hun geboorteland achterlieten. Maar het verandert weinig aan de toenemende vraag naar meer kwaliteit van leven voor steeds meer mensen. Noch tariefmuren voor het instandhouden van het kapitalistische model in het westen, noch immigratie leveren een bijdrage aan voorkomen van het totale instorten van wat nu zo mooi de wereldhandel heet. Zolang de mensheid verdeeld is in kampen, kan er geen sprake zijn van een heelheid in de betekenis van een menselijk collectief of algemeen belang dat de redding van deze planeet op een realistische wijze ondersteunt. Er is hier juist eerder sprake van tegenwerking. Daarnaast is er op het persoonlijke vlak hoe langer hoe meer sprake van een verschuiving van je heil collectief ergens in zoeken naar je heil individueel ergens in zoeken. En met al die miljarden individuen worden zaken als gezamenlijkheid daardoor nog meer naar de achtergrond gedrongen. Dat hier een schone taak zou liggen voor geestelijke leiders heb ik al eens eerder betoogd.

De Derde Wereldlanden zouden moeten beseffen dat hun bevolkingsgroei in combinatie met hun toenemende consumptie substantieel zwaarder zal gaan drukken op de draagkracht van de aarde. Als de landen die nu nog niet gerekend kunnen worden tot de rijke landen, op welke termijn dan ook, een even hoge levensstandaard gaan bereiken, dan komt dat neer op ongeveer vier miljard mensen. Hun claim op de grondstoffen, voedsel en drinkwater moge dan zeer gerechtvaardigd zijn, de schaarste van deze producten op wereldschaal zal er bepaald niet minder door worden. Nu wordt de tegenstelling tussen de Derde Wereld en het Rijke Westen nog teveel afgedaan als een kwestie van rijkdom en armoede. Maar er is natuurlijk een relatie tussen het aantal te voeden monden en de locale en regionale beschikbaarheid van voedsel en grondstoffen. Ons westers schuldgevoel afkopen met gulle gaven aan slachtoffers van overstromingen, is in feite een veronachtzaming of zelfs een ontkenning van het probleem overbevolking. Overbevolkte landen, waarvan de inwoners niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien, zijn schijnbaar gebaat met prachtige westerse oplossingen die tijdelijk de druk van de ketel halen. Maar zelfs rijke landen hebben nu al oplossingen als extra grondgebruik en genetische manipulatie nodig om zelf aan voldoende voedsel te komen. Hoe hard het ook klinkt, de zwarte pest, aids, de vogelgriep en welke varianten er nog meer zullen volgen, het zijn allemaal pogingen van moeder natuur om te doen wat de mens zelf niet kan: zichzelf in toom houden ter bescherming van de eigen soort.

In Europa loopt het geboortecijfer inderdaad iets terug en de afvalberg lijkt onder controle. Maar alleen vanuit een zekere mate van egocentrisme zal de rijke westerse bevolking op den duur wel moeten krimpen, al was het alleen maar om meer tijd te kunnen besteden aan zelfontplooiing dan aan kinderen opvoeden. Die zelfontplooiing kan in de Derde Wereld niet op gang komen, zolang het groeiende aantal mensen de soep daar steeds dunner maakt. Op deze wijze blijft arbeid in de Derde Wereld vanzelf goedkoop voor de westerling. Het grote aanbod van arbeidskrachten laat de prijs ervan zelf dalen. En zij die wegtrekken naar een beloofd land zien hun vrijgekomen plaats binnen in zeer korte tijd al weer ingenomen door een nieuwe generatie mensen van wie een deel zich op hun beurt ook weer zal voorbereiden op de stap naar een beloofd land. Ook emigratie is geen oplossing voor de problemen in de Derde Wereld. Maar immigratie is ook voor het beloofde land zelf geen oplossing, hoezeer angst voor minder inkomen vanwege de vergrijzing ons vaak anders doet geloven. Het Westen heeft een vermindering van zijn aantal inwoners hard nodig om het gemiddelde consumptieniveau per inwoner toch een beetje te kunnen laten stijgen of minstens te kunnen handhaven. Niet omdat het niveau objectief niet hoog genoeg zou zijn, maar om tegemoet te komen aan de steeds hogere eisen van de sterk individualistisch ingestelde westerse consument. Die consument is wel bereid tot incidentele vrijgevigheid maar niet tot structurele belastingverhoging. Als Europa haar inwonertal niet strak in de gaten houdt en niet laat teruglopen, loopt Europa het risico zelf af te glijden naar de status van een relatief verarmd werelddeel waar zeer veel ontevredenen zullen huizen. Dat zou misschien wel heel erg ethisch en solidair zijn met de rest van de wereld. Maar ongetwijfeld zou dat problemen oproepen die we nog kennen uit de tijd van Hitler, Musolini, Lenin en Stalin. Het valt te hopen dat er van de vijf miljard mensen die er volgens de Verenigde Naties in de wereld nog bij zullen komen, geen navenant deel naar het rijke Westen gaat vertrekken. Dan zullen zelfs maatregelen zoals van het interregnum Verdonk noch Nederland noch de Europese Unie kunnen vrijwaren van een nieuwe stormloop van nieuwkomers. Wat dan overblijft, is een proletarische wereldrevolutie zonder weerga. Een wereldwijde bevolkingspolitiek moge onsympathiek klinken, het is de enige maatregel die veel onheil kan voorkomen.

Sinds de Industriële Revolutie hebben massificatie, rationalisatie, automatisering, groei en concurrentie van de wereld een jachtgebied gemaakt waar sluipenderwijs alles en iedereen ondergeschikt is gemaakt aan groei. In dit proces spelen nationale staten nóg steeds een hoofdrol. Zij zijn de monsters van de macht. Hun dreigende legers, levensbeheersende godsdiensten, verstikkende ideologieën en economische belangen vragen om grote aantallen volgzame consumenten. Want een toename van het aantal mensen zou nog meer macht en vooruitgang moeten betekenen. Terwijl de groei verder gaat, stagneert de democratische ontwikkeling in de wereld. Die zou de groei juist nog een enigszins menselijk gezicht kunnen geven. In landen waar democratie tot nog toe nagenoeg onbekend is, komt een democratische ontwikkeling niet echt van de grond vanwege gebrek aan ervaring ermee, een te geringe intrinsieke behoefte van de bevolking aan het houden van vrije verkiezingen, vanwege totalitaire tegenkrachten of vanwege een veel te omvangrijke en daardoor niet te vertegenwoordigen massa mensen. De tendens naar fascistoïde regimes is wereldwijd groot. Maar ook binnen de traditioneel democratische staten op kapitalistische grondslag worden steeds meer totalitaire neigingen zichtbaar. Deze worden min of meer gebillijkt omdat ook daar de massaliteit van zoveel mensen in één land in toenemende mate met democratische middelen onbeheersbaar en onbestuurbaar wordt. Zelfs in sommige traditioneel democratische landen maakt de democratie een crisis door. In veel van huis uit democratische landen is een lang geleden ingezette oligarchische of regenteske trend zelfs het gangbare machtsmodel geworden. Via allerlei wettelijke constructies hebben politieke partijen en vooral hun topkader zich verzekerd van duurzame machtsposities in hun strijd de massaliteit de baas te blijven. Van democratische en morele principes is soms zo weinig nog over dat er behoefte is ontstaan aan transparantie. Ook ontbreekt een lange-termijndenken vanwege de behoefte aan instant oplossingen voor problemen die alleen met een helikoptervisie zijn op te lossen. Daarom klinkt een pleidooi voor duurzaamheid uit de mond van degenen die van macht hun beroep hebben gemaakt altijd anders dan wanneer het komt uit mond van actievoerders. Als het bijvoorbeeld echt gaat om een schoon milieu zou gaan, dan zou diesel niet schoner moeten worden, maar gewoon verboden. Olieboringen in de Waddenzee zouden principieel nooit toegestaan mogen worden zoals verkrachting of mishandeling ook nooit een beetje toelaatbaar gezien wordt. Maar in de politiek draait het om het haalbare en niet om het principe. Zo is ook het verdrag van Kyoto als resultante van deze begerige wereldorde slechts een al te doorzichtige poging om de bestaande situatie van een onstuitbare bevolkingsgroei, overconsumptie en overproductie als onmisbare heilige koe zelf onaangetast te laten. Kyoto pakt alleen maar de gevolgen aan van de groei, terwijl elementaire grenzen die nooit overschreden hadden mogen worden toch overschreden blijven. Maar arm of rijk, geen enkel electoraat is bereid via vrije verkiezingen zijn welvaart vrijwillig en substantieel te verminderen.

Dat brengt mij tot de opmerking dat democratie als optelsom van belangengroeperingen niet geschikt is voor het oplossen van problemen als overbevolking en overconsumptie. Oligarchisch ingestelde machtsgroepen leveren hun stamleider. Deze houdt het midden tussen een verkeersagent en een medicijnman. Hij staat op een voetstuk, regelt alles maar lost niets fundamenteel op. Hij verkoopt gesproken woorden als medicijnen tegen kwalen die vier jaar later opnieuw de kop opsteken. Niemand heeft er iets aan. Het is meestal een poging tot een tijdelijke ontsnapping uit de werkelijkheid waarbij bestaande problemen niet worden opgelost maar slechts in een ander daglicht worden geplaatst. Een enkele volksvertegenwoordiger uit de groep van vele heeft niets in te brengen. Hij vertegenwoordigt zelf teveel mensen die hij niet kent, die hem niet kennen en die zelf meestal geen sterke onderlinge band hebben. Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer in 2003 telde de kiesdeler 64.000 stemmen. Er waren toen ruim 9,6 miljoen mensen met actief kiesrecht die 150 zetels mochten verdelen. Bij de verkiezingen voor het Europese Parlement moeten 27 Nederlandse volksvertegenwoordiger een kiesdeler halen van ruim 300.000 stemmen. Daar is al helemaal geen sprake meer van een relatie tussen kiezer en gekozenen. Daar is de kiezer helemaal gedegradeerd tot stemvee. Het begrip democratie is daarmee zelf al een paradox geworden, een onmogelijkheid, een fictie vanwege de te grote aantallen. Want wie van de 300.000 kiezers, nodig voor één Europese parlementszetel in het sterk uitgebreide Europa heeft via de kiesdeler nog de indruk dat zijn stem er iets toe heeft gedaan. Politiek verantwoordelijkheidsgevoel bij de burger wordt hier niet mee gekweekt. Politieke onverschilligheid en burgerlijke ongehoorzaamheid groeien zelfs bijna evenredig met het aantal mensen. De kans op anarchisme is groter dan op meer politieke betrokkenheid van de burger. De relatie kiezer gekozene zelf is een fictie geworden. Zowel de kiezer als de gekozene zit in een spagaat en het zo bejubelde kiesrecht wordt in feite uitgehold. Wie dit vooraf in een verkiezingsprogramma als ideaal had willen propageren, zou als extreem en gevaarlijk zijn afgeserveerd. Als we daarnaast zien dat het totale aantal afgevaardigden in het Europese Parlement de duizend nadert, dan moge duidelijk zijn dat daar van een uitwisseling van gedachten in een persoonlijk overleg ook geen sprake meer kan zijn. Daarmee zijn zowel de verkiezingen als de beraadslagingen in Brussel gedegradeerd tot een oppervlakkig schimmenspel. Er wordt wat onvrede bestreden en er wordt ijdele hoop gegeven op een beter leven. Dit ritueel herhaalt zich om de zoveel jaar en telkens blijkt, bijna per definitie, dat het ritueel tot veel frustratie heeft geleid. Afschaffing van de machtige nationale staat en oprichting van kleine zelfstandige onafhankelijke gewesten binnen een tandeloze EU zou een goed alternatief zijn voor het veelkoppige monster van geld en macht dat voornamelijk zijn inspiratie vindt in het naar de kroon steken van de Verenigde Staten. Met macht aan het volk heeft dit niets meer te maken.

Er zijn dus voldoende argumenten, nog afgezien van de files, om in te zetten op een verlagen van het aantal mensen. Maar ook zou er economisch gezien niet langer gegroeid maar gekrompen moeten worden. Het leefmilieu van de mens schreeuwt erom - en dat bijna overal in de wereld - leefbaar te worden houden. Volkomen onlogisch echter werd in de jaren van het politiek correcte denken menig constructief idee in de kiem gesmoord. Eerst werd de vergrijzing aangegrepen om de immigratie als oncontroleerbaar verschijnsel te rechtvaardigen. Nu wordt er weer een nieuw rookgordijn opgeworpen om te voorkomen dat er een discussie over krimpen wordt ingezet. De betaalbaarheid van de A.O.W. zou via het bestaande omslagstel op de tocht kunnen komen te staan door een gebrek aan arbeidskrachten. Alsof dat toch al niet gebeurd is, want door het bewust uitbreiden van de Europese Unie is het aantal lidstaten waar bij wijze van spreken het woord pensioen of oudedagsvoorziening nog moet worden uitgevonden, alleen maar toegenomen. De arbeidsparticipatie mag dan wel hoog zijn in Nederland met ongeveer 64%. Dat betekende bijvoorbeeld voor 2004 dat er op een beroepsbevolking van 7,516 miljoen mensen ruim 7 miljoen mensen een baan hadden van minimaal 12 uur per week. Maar op het totale aantal inwoners van 16,2 miljoen waren er ruim 9 miljoen mensen hetzij tijdelijk, hetzij blijvend zonder werk. Naast 7 werkenden dus 9 niet-werkenden. Zie hier een groot reservoir aan mogelijke arbeidskrachten voor wie nu een ouder, een partner of de overheid moet zorgen.

Vergrijzing is natuurlijk wel een probleem, maar slechts een financieel probleem. Het zou onverstandig zijn nu te willen gaan zorgen voor een nieuwe golf van vergrijzing over bijvoorbeeld veertig jaar door nu het kindertal op te krikken. Dat vergrijzing een gebrek aan arbeidskrachten zou kunnen bewerkstelligen, zou ook een zegen genoemd kunnen worden met al die mijloenen werklozen in Europa. Steeds meer bedrijven zoeken de lage lonenlanden op. Steeds meer arbeidskrachten blijven over. Er ontstaat zelfs een situatie waarbij relatief steeds meer mensen met een hoge opleiding een plaats voor een lager opgeleide bezetten. Het aantal mensen met een baan aan de laag betaalde kant van de samenleving wordt relatief steeds kleiner. Banen scheppen voor mensen die weer mensen gaan voortbrengen is het omgekeerde van wat nodig is. Het aantal mensen af te stemmen op wat de samenleving vraagt, zou verstandiger zijn dan achteraf voortdurend een steeds maar groeiende werkloosheid te willen oplossen tegen de stroom van de automatisering in. Een toch al toenemende werkloosheid vergroten met een instroom van laag opgeleide immigranten is alleen een geldige optie voor wie ecologie, duurzaamheid en draagkracht van de aarde niet bestaan. Met mensenrechten als recht op inkomen heeft dit weinig meer van doen.

Het rookgordijn van de koopkracht kan niet verhullen dat winstbejag en economische groei van de BV Nederland nog altijd meer prioriteit krijgen dan de zorg om de medemens en het milieu. Het is een kwestie van prioriteiten stellen. Van een ethische benadering van mondiale, ecologische problemen is in de Nederlandse politiek nog steeds bitter weinig te merken. De benadering is pragmatisch in de zin van commercieel. Het gaat ons eenvoudig om de winst, de macht en de welvaart. En die verblinding doet ons vergeten dat wij de tak afzagen waar we zelf opzitten. Intussen willen we best ad hoc naastenliefde bedrijven op momenten dat we zelf ontroerd zijn. Met kerstmis en na een tsunami zijn we de gulheid en bezorgdheid in hoogst eigen persoon. Maar het is te vluchtig. Even zo zijn er leden van allerlei natuurorganisaties die menen dat met één donatie per jaar en het plaatsen van een broedkastje voor vogels in de tuin het milieuprobleem is opgelost. Verder leven zij ongestoord hun prettige manier van leven alsof er niets aan de hand is. En na een tsunami ontbreekt het besef dat we achter de feiten aanlopen. Sterker nog, onze hulpacties vergroten de kans dat er bij de volgende tsunami over enkele jaren nog meer slachtoffers vallen. Misschien dat er dankzij moderne westerse waarschuwingsapparatuur geen of minder doden vallen. Maar aan de situatie waardoor deze mensen in Indonesië massaal aan de kust moeten wonen verandert niet veel. In het binnenland, ver van de kust gaan wonen, is voor hen niet mogelijk door overbevolking en beperkte economische middelen. In feite worden door onze goed bedoelde hulp de gevolgen van het probleem overbevolking er alleen maar groter door. Geld geven om de gevolgen van een tsunami te bestrijden is daarom slechts een kwestie van symptoombestrijding. Op precies dezelfde manier bestrijden, wij hier in Nederland de files door de slachtoffers in de files met steeds betere apparatuur voor te lichten over filevorming zonder dat er iets aan het probleem zelf verandert. Het lijkt erop dat er noch sprake is van individuele noch van collectieve verantwoordelijkheid.

Symptoombestrijding komt in Nederland op grote schaal voor. De Nederlandse overheid loopt hierin voorop in haar uiterste poging het probleem overbevolking te verdoezelen en te omzeilen. Zo is vakantiespreiding in een overvol land in feite een impliciete erkenning van het probleem dat er voor de bevolking niet voldoende plaats is om een paar weken samen vakantie te vieren in de vrije natuur of in leuke stadjes. In plaats van het probleem te erkennen en iets te doen aan het aantal mensen, krijgen wij hier vakantie bij toerbeurt. De oudste manier van symptoombestrijding is het opstapelen van woonhuizen: flatbouw met alle onmenselijke gevolgen van dien. De Bijlmer wordt dan wel gedeeltelijk afgebroken, maar daar staat tegenover dat er steeds meer voorstellen komen om toch maar in het ‘Groene Hart’ te bouwen, onder de grond of op zee. Het treurigst zijn de snel groeiende, massale, monotone, troosteloze woonwijken waarvan de inwoners als zielloze schepsels hun contactarme dagen slijten hopend op een huisje op het platteland. Het aanleggen van een metro is ook een impliciete erkenning van het feit dat er te weinig ruimte is voor iedereen om zich te voet, per fiets of per auto te kunnen bewegen. De concessie die we met de invoering van de auto hadden moeten doen was een relatie leggen tussen het aantal mensen en het aantal auto’s. Dat zou een kwestie van planning of erkenning zijn geweest. Nog steeds accepteren we klakkeloos iedere uitvinding als vooruitgang terwijl dat al te vaak achteraf niet het geval blijkt te zijn. Hoe meer welvaart, des te meer spullen. En de combinatie van mensen en spullen maakt de massaliteit nog erger. Maar de mens is niet gemaakt voor massaliteit. Massaliteit is alleen leuk als je weet dat je er ook nog uit kunt ontsnappen. Massaliteit is de mens onwaardig en is een ontkenning van de mens als uniek wezen. Het vraagt om agressie waarmee ontsnapt kan worden uit de mal van het alledaagse leven dat de burger steeds minder bewegingsvrijheid geeft. Het fuseren van leuke kleine scholen tot megalocaties met een paar duizend scholieren, die allemaal in de bus gepropt naar school moeten, past ook mooi in dit rijtje van symptoombestrijding. Rekeningrijden is voorlopig het laatste staaltje van het niet willen erkennen dat de bron van alle drukte eenvoudigweg ligt bij het aantal mensen en hun manier van leven.

Ook het bedrijfsleven doet vanzelfsprekend mee. Grote Nederlandse bouwondernemingen vertonen heel regelmatig reclamespotjes waarin ze duidelijk maken dat ze door meer te bouwen juist veel ruimte scheppen. We lijken het allemaal te geloven. Maar het is helaas niet waar. Advertenties die ons uitnodigen te bouwen in het groen vermelden er niet bij dat er na al dat bouwen van het groen niet veel meer overblijft. Natuurliefhebbers worden door overheden en bouwondernemers gepaaid met dassentunnels, hertenviaducten en aan elkaar geplakte rioolpijpen tussen kleine stukjes ‘natuurgebied’. Voor een organisatie als Green Peace moet het inderdaad een uitzichtloze strijd zijn. Je zult maar willen vechten tegen een constant oprukkend legioen van jagers, vreters en bouwers zonder dat je iets over hun aantal durft te zeggen. Dan valt er weinig eer aan te behalen om de walvissoort te redden van de ondergang. Want alle monden moeten toch gevoed worden, al is het ten koste van de laatste vissoort. Maar voor redelijke maatregelen is het al te laat. Want welke maatregelen ook genomen worden, het effect van al die maatregelen, zal door de groei van de wereldbevolking, altijd weer worden ingehaald. Daar kan geen enkele milieuconferentie tegen op.
Voor het bedrijf Nuon was er kennelijk reden genoeg om eens flink uit te pakken met een advertentie met foto in ‘Altijd’, een uitgave van Nuon, nummer 10, oktober 2004. Nuon adverteerde met een ronduit idiote reclame voor zuinig energieverbruik. Het liet zien dat isolatie van de woning tot een belangrijke besparing van energie kan leiden. Tegelijkertijd werd er een foto gepresenteerd waarop een vader en een moeder staan afgebeeld met hun tien kinderen. Het moet een doorsnee Nederlands gezin voorstellen. Deze advertentie is hierdoor een anachronisme van de bovenste plank. Het ergste is nog dat een dergelijke advertentie suggereert dat een groot gezin kennelijk de gewoonste zaak van de wereld is. Volgens die advertentie valt het energieverbruik in een groot gezin altijd mee en is er geen enkele reden tot bezorgdheid.
Er bestaat zelfs een soort belangenvereniging voor grote gezinnen. Dit is de ‘Vereniging Groot Gezin’. Die adverteert op www.grootgezin.nl voor het behoud van zo groot mogelijke gezinnen. Het begint erop te lijken dat luxe, status en non-verstand hier hand in hand gaan. Volgens de makers van de site ‘komen grote gezinnen nog steeds weinig voor’. Verder staat er te lezen dat het ‘opvallend is dat de bezoekers van hun website het fijn vinden veel kinderen te hebben’. En verder: ‘voor de een is drie al genoeg, terwijl de ander hoopt op 6 of 8 kinderen’.

Binnen het bedrijfsleven laat de autobranche zich wel heel sterk gelden. Het autobezit is de eerste vier jaar van deze eeuw gegroeid met tien procent. De bevolking is in dezelfde periode ‘slechts’ toegenomen met 2,5 procent. Dat betekent dat het autobezit sneller toeneemt dan het inwoneraantal. De banken spelen hier met hun consumptieve kredieten aardig op in. Intussen rijdt een auto in de grote stad vandaag de dag gemiddeld niet veel sneller dan een paardentram van twee eeuwen geleden. En de files met de bijpassende luchtvervuiling maken de meerwaarde van de vooruitgang op dit gebied tot een stap achterwaarts. Maar ondanks de ‘minwaarde’ van veel producten lijkt alles en iedereen gefocust op het mee blijven draaien in de tombola van meer groei en meer winst. De meeste uitvindingen van de laatste 200 jaar lijken slechts te zijn ingegeven door de commerciële wens om de massaliteit in het intermenselijke verkeer het hoofd te kunnen bieden en niet om de samenleving op een hoger plan te brengen. Zo is onder andere de computer een pracht uitvinding, maar de gebruiker ervan spaart er geen tijd mee zoals oorspronkelijk de bedoeling was, maar wordt eerder slachtoffer van de mogelijkheden waartoe het apparaat hem uitdaagt. De mens wordt aldus verengd tot consument en slaaf van zijn eigen spullen. Gaandeweg wordt hij, meestal op afbeeldingen, zelfs vereenzelvigd met de vooruitgang. Hierdoor kan hij er geen afstand meer van nemen. Zelfs in zijn privé leven kan een mens niet meer ontsnappen aan zijn rol van de eeuwige consument. De aansporing tot het uitgeven van geld achtervolgt hem tot in zijn dromen. Daar programmeert de televisie de aan consumptie verslaafde mens voor de nacht. Het is in feite een onvrijwillig bloot staan aan een soort continue gevaarlijke straling. Het schenden van mensenrechten door onfrisse regimes wordt gezien als een misdaad tegen de mensheid. Maar mensen al vanaf zeer jonge leeftijd indoctrineren of hersenspoelen met continue reclames die geen ander doel kunnen hebben dan de mens te degraderen tot verslaafde consument is ook een misdaad tegen de mensheid. Het is een miskenning van het recht van ieder mens in vrijheid te leven zonder iedere seconde en op iedere plaats te worden aangesproken op en herinnerd aan zijn functie als een behoeftig wezen dat verlangt naar meer. Een mens wil ook niet voortdurend op zijn mannelijkheid of vrouwelijkheid aangesproken worden. Maar veel reclames maken van een mens een schertsvertoning door hem of haar te pas en te onpas te laten opdraven als seksueel behoeftige consument. En een mens alleen maar als consument of seksueel wezen af te schilderen is ook een verenging die als mensonvriendelijk kan worden uitgelegd. Na zes uur ’s avonds moest iedere reclame in de privé sfeer verboden worden. Dan moet de mens met rust worden gelaten. Dan is er eindelijk ruimte voor de mens als niet-commercieel of niet-consumptief wezen.
Maar dat wordt steeds moeilijker. Want bedrijven die niet met minimaal vier procent per jaar groeien, deugen niet. Dus zal de reclame voor hen moeten worden opgevoerd. Ook de B.V. Nederland moet kennelijk blijven groeien. De FNV zorgt er wel voor dat het behoud van de koopkracht prioriteit nummer één blijft, terwijl de NCRV nog een beetje probeert aan te geven dat er iets meer tussen hemel en aarde van waarde is. Boekhandels, waarvan je het niet zou verwachten, spelen ook in op meer omzet zonder enig cultureel of literair besef en verkopen liever louter bestsellers zonder zich te bekommeren om enige culturele of literaire kwaliteit. Wat door de massa wordt gelezen is kennelijk ook daar al te vaak het criterium voor goed. En de uitgever, die niet voor de massa uitgeeft, is soms genoodzaakt extra te betalen aan een boekhandel voor een plaatsje van zijn boeken op ooghoogte in de winkelrekken of in een etalage. Ook scholen zijn het slachtoffer van het spel om de massa en zijn economische macht. Door fusies zijn zeer grote onpersoonlijke leerfabrieken ontstaan waar de voltallige jeugd van één stad soms in één groot gebouw wordt samengevoegd. Van VMBO tot gymnasium. Sociale conflicten ten gevolge van de massaliteit worden onder de pet gehouden. Maar over de alsmaar stijgende aantallen leerlingen die met een diploma de school verlaten wordt hoog opgegeven, alsof dat nog iets zegt over de kwaliteit van de resultaten in een onderwijsfabriek. Met enige vorm van individuele ontplooiing van het kind, een mogelijke onderwijsfilosofie, heeft dit niets meer te maken. Het kind wordt er eenvoudigweg klaar gestoomd voor zijn rol in het economische verkeer als koper of verkoper. Zijn algemene vorming is daar ondergeschikt aan gemaakt. Over ethiek gesproken.

De invoering van de industriële productie heeft het principe van de kapitalistische concurrentie versterkt. De techniek werd gaandeweg een deus ex machina, een welkome hulp in ons vooruitgangsdenken. Steeds meer werden producenten en wetenschappers de deskundigen bij uitstek die met de techniek het volmaakte leven dichterbij brachten. De arbeider heeft daar ook veel profijt van gehad. Hij kon gebruik maken van wat de fabrikant hem aanreikte. Vervolgens heeft hij massaal en grootschalig ingespeeld op wat hem geboden werd ter bevrediging van allerlei nieuwe behoeftes Dat heeft weinig meer te maken met het dagelijkse levensonderhoud. Het is een voortdurend proces van een groeiende behoeftebevrediging geworden zonder dat de vraag wordt gesteld of de arbeid waar het om gaat op zich nog zinvol is. Marx heeft nog geprobeerd de arbeider te behoeden voor sleur en vervreemding. Maar socialisme en communisme hebben de arbeider juist op het spoor gezet van nog meer materiële behoeftebevrediging. Zij hebben met de illusie van de totale verzorgingsstaat het religieuze opium aardig naar de vergetelheid verdreven. Maar daarmee verdween ook de vraag naar de diepere zin van het leven. Ook ontbreekt het besef dat er ooit schaarste zal zijn, omdat het niet meer past in onze economische filosofie.

In feite handelt de mens als homo economicus in de 21e eeuw nog even primitief als zijn prehistorische voorganger. Die had ook de keus uit twee mogelijkheden om zich staande te houden in de strijd om het bestaan. De concurrent, meestal een vijand, afmaken in een oorlog of hem ondergeschikt maken door middel gevangenneming, slavernij of een andere vorm van onderwerping. Oorlog is nog steeds het uiterste middel om aan grondstoffen, water en voedsel te komen voor het eigen levensonderhoud. Zo wordt als de motivatie van de oorlog tegen Irak de olie genoemd. Bedrijven en mensen in de 21e eeuw doen via concurrentie hetzelfde als hun prehistorische voorgangers. Het kan variëren van overname, moordende concurrentie, bedrijfsspionage, illegaal namaken van producten tot prijsafspraken, inbreken en vele andere slimme zetten. En bij politieke verkiezingen wordt een tegenstander vaak verdacht of zwart gemaakt of politiek volledig buiten spel gezet, tenzij van te voren vast staat dat die concurrent onmisbaar is. We zitten met dit soort gedrag inderdaad nog steeds in de primitieve fase van het zelfbehoud ten koste van de ander. Het maakt niet uit wie die ander is. Alleen de intensiviteit van de strijd om het bestaan is heftiger en grootschaliger geworden. Het heilig groeien heeft die strijd tot politiek en economisch dogma gemaakt. Noch de eeuwen van het kolonialisme, noch de Koude Oorlog, noch de twee wereldoorlogen hebben geleid tot een blijvende bezinning. We nemen meestal geen genoegen meer met wat we hebben. Genoegen nemen met een constant inkomen zou het eerste teken van inkeer zijn. Maar voor ons huidig en toekomstig welzijn hebben we nog steeds veel meer nodig dan we al hebben. Volgens Boedda is dat niet de juiste weg. Want er is geen weg naar geluk, maar de weg zelf is het geluk. Maar dat impliceert tevredenheid in het leven en geen eeuwige drang tot groei. Want met groei werken we alleen aan onze toekomst en nauwelijks aan ons heden. Ontsnappingsroutes uit deze gekte lijken zo goed als afgesloten.

Tot nu toe hebben alle voorbije en bestaande politieke systemen met hun mooie beloften geen duurzaam geluk gebracht. Zowel rechtse als linkse totalitaire systemen hebben geprobeerd de maatschappij naar hun eigen idee her in te richten. Ook daar is mensheid weinig mee opgeschoten. Het was altijd korte termijnwerk. En dat is het nog steeds. Ieder systeem heeft nog steeds de beste bedoelingen om de productieve trend van meer en beter voor de mens voort te zetten. Alleen ontbreekt de vraag wat de meerwaarde van dit alles is voor de mens als emotioneel en biologisch wezen. De kinderbijslag, voor sommigen de kroon op werk van de verzorgingsstaat, blijkt achteraf een van de grootste historische vergissingen. Tot het paradijs op aarde, de heilstaat, hebben al die goed bedoelde maatregelen tot op de dag van vandaag niet geleid.
Er is daarom geen enkele rechtvaardiging meer om door te gaan met welk politiek systeem dan ook. Zelfs de democratie vraagt om een volledige bijsturing en herformulering van haar normen en waarden. Stuurloos stevent de wereld af op de ondergang die wij over onszelf afroepen. Het lijkt erop dat het individu daarin steeds vaker zijn eigen weg gaat. Het individu laat zich weinig gelegen liggen aan incidentele waarschuwingen over de voortplantingssnelheid van de mens die in zijn kielzog die enorme consumptie met zich mee sleept. De wetenschap kan weliswaar geen rechtvaardiging meer vinden voor het handhaven van die voortplantingssnelheid, maar is nog altijd niet in staat intellectueel te verwerken dat de voortplantingsmogelijkheden die golden sinds de menselijke ontstaansgeschiedenis, niet meer aansluiten op de sterk verbeterde gezondheidszorg. Waar kindersterfte en oorlog zijn verdwenen, gaat de overdadige en overtollige leverantie van mensen dus gewoon door. Met atoomwapens kan straks iedereen zijn tegenstander uitroeien. Dat hebben we al begrepen van de Koude Oorlog. Nooit meer een dergelijke bewapening, werd er toen geroepen. Nu zouden we met recht kunnen roepen voorlopig geen kinderen meer. Maar misschien dat we dan eerst moeten roepen geen godsdienst meer. Want godsdiensten zijn in dit opzicht misschien nog wel gevaarlijker dan welke bewapeningswedloop dan ook.

Ongeveer twee duizend jaar geleden heeft het christendom in Europa de overnamestrijd tegen de Germaanse goden ingezet en gewonnen. Goden als Tiu, Freia, Wodan en Donar moesten plaats maken voor de god van Jezus Christus. Rome wist door een sterke promotiecampagne van het christelijke kerstfeest het in zijn ogen heidense Germaanse midwinterfeest van de kortste dag geleidelijk aan te verdringen. Maar het heidense besef bleef dat het leven op aarde een geschenk van de zon zou zijn. Door het rooms-katholieke gebrek aan aandacht voor de heelheid van de schepping verdween wel de maatschappelijke eerbied voor de wetten van de natuur. Daarvoor in de plaats kwam er een Romeinse centralistische politiek waarbij het accent langzaam maar zeker kwam te liggen op de organisatie van het geloof en minder op het geloof zelf. Hiërarchie en volgzaamheid werden dogma’s. De wat meer realistisch benadering van het leven door de heidenen was in feite van de baan.
De christelijke kerk heeft vanaf haar ontstaan niet alleen met de Germanen een machtsstrijd gevoerd maar met iedere wereldlijke overheid in haar omgeving en met iedere andere religie en godsdienst. Men denke hier onder andere aan de machtsstrijd met de Romeinen, de Arabieren, de Byzantium en de Turken. In het proces van de overgang van ‘heidense’ religies naar de christelijke godsdienst, werd kinderen krijgen steeds meer gezien als een zegen van god. In de praktijk werd het een probaat middel om het kerkelijke instituut overeind te houden. In de christelijke wereldkerk geldt nog steeds: hoe meer kinderen, des te meer mensen, macht en omzet. Ondanks de bevolkingsexplosie van de laatste 100 jaar komt er officieel nog steeds geen beweging in deze godsdienstige opvattingen over de beleving van de seksualiteit en het kindertal van de vrouw. Maar buiten het gezichtsveld kraakt de kerkelijke leer op vele plaatsen in de wereld.

Misschien dat over 100 jaar het de algemene overtuiging is dat er geen enkele god bestaat, omdat met al dat bidden de zeewaterspiegel toch niet blijkt te zijn gedaald en vele vruchtbare deltagebieden voor altijd zijn prijsgegeven aan de zee. Dan valt er toch een nieuw stukje wereld te winnen. Om met de liedjes van Maarten Roosendaal te spreken: ‘Als je geen moslim bent, hoef je geen oorlog te voeren. Als je geen christen bent, hoef je niet te doden. En als je geen jood bent, hoef je geen agressie te plegen.’ Godsdienst kan dan weer worden teruggebracht tot een soort individuele, religieuze vrijetijdsbesteding voor wie niet naar een zielenknijper wil. Want religieuze zingeving is nog nooit gevaarlijk geweest en heeft nooit mensenmassa’s tegen elkaar opgezet. Dat doet alleen de goed georganiseerde godsdienst. Daarom zou een godsdienst zich moeten verheffen tot een waardevrij goed om zijn rol in de wereld sterk te kunnen relativeren. Dan verliest een godsdienst veel van zijn motivatie tot haat. Maar omdat godsdienst ook een politieke zaak is, zou een godsdienstige of religieuze partij ook het inzicht en de moed moeten hebben zich op te heffen. Zo had Gorbatsjov ook de moed in de nadagen van de Koude Oorlog de eerste stap te zetten. Hij haalde de internationale angel uit het communisme en effende daarmee een vredespad door te erkennen dat de Sovjetmacht berustte op onderdrukking. Als godsdiensten dit ook eens zouden doen, zouden de deuren naar een krimpende bevolking kunnen opengaan. Of als een paus stopt met zijn misdaden tegen de mensheid door sexualiteit en kinderen krijgen van elkaar los te koppelen en voorbehoedsmiddelen te verbieden. ‘Humanae Vitae’ zou net als ‘Mein Kampf’ tot ongewenste literatuur verklaard moeten worden, en wel meteen! Misschien dat het nog eens electoraal voordelig wordt het bestaan van god zelf ter discussie te stellen. Het woord god zou natuurlijk ook gewoon kunnen verdwijnen uit de politiek, als het teveel associaties met voormalige misstanden blijft oproepen.

De rol van de christelijke kerken als aanjager van het aantal geboorten lijkt althans in Europa zo goed als uitgespeeld. Want na vele eeuwen loopt het aantal kinderen per vrouw in Europa terug. Toch is dat niet het gevolg van een ommekeer in het christelijke denken. Het is ook geen bewust gevolg van een nieuw politiek verantwoordelijkheidsbesef. Wel is het denken van veel potentiële gelovige en niet-gelovige ouders over kinderen veranderd. Er wordt vaker gekozen voor geen kinderen. Niet zozeer vanuit een bezorgdheid voor het milieu of uit angst dat hun kinderen geen toekomst zouden hebben. Maar meer vanuit een egocentrisch verlangen naar nog meer zelfontplooiing, individuele vrijheid en ruimte. Kinderen brengen nu eenmaal beperkingen met zich mee. Ouders kiezen daarom, soms pas op latere leeftijd, aarzelend voor slechts één kind. En ouders die kiezen voor meerdere kinderen, maken die keuze omdat meerdere kinderen hebben hun eigen leven verrijkt. Die ouders hebben er vaak veel voor over om kinderen te hebben. Een toenemend aantal ouderparen is zelfs bereid om binnen hun relatie hun banen en de huishouding onderling af te stemmen.

Een wereldlijke overheid staat doorgaans een ander ideaal voor ogen dan een christelijk instituut. Toch matchen overheden en kerkelijke organisaties wonderlijk vaak. Zo springen regeringen graag met allerlei regelingen financieel bij in de zorg voor de kinderen waar kerken dat vroeger deden. Maar nu meer om het bedrijfsleven een constante consumptie van producten te garanderen en daarmee onder andere de belastinginkomsten veilig te stellen. Het is de vraag of de overheid daar goed aan doet en in wier belang dat bijspringen is. De overheid denkt immers eerder bedrijfsmatig en financieel-economische systeem en aan de gevolgen van de vergrijzing dan aan het in stand houden van de draagkracht van de aarde. En ouders denken eerder aan hun eigen portemonnee. Maar doordat de overheid wil bijspringen, bestaat de kans dat de keuze van de ouders voor wel of geen kinderen mede wordt bepaald door financiële overwegingen. Omdat een overheid nu eenmaal onderdeel is van de groei-economie, zijn er veel overheidssubsidies – kinderbijslag, kinderdagverblijven, kinderkorting – waardoor ouders zelfs meer geneigd zullen zijn de overheid een soort medeverantwoordelijkheid voor het verwezenlijken van hun ideaal in de schoenen te schuiven. En een gezin met één of meerdere kinderen en liefst nog twee banen lijkt daarmee een soort grondrecht te zijn geworden. En aldus vergroten overheidssteun voor kinderopvang en andere maatregelen niet bepaald het besef dat het snel groeiende aantal mensen in de wereld catastrofale gevolgen heeft voor het leefmilieu.

Bewust leren leven zonder kinderen zou een bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van een oplossing van het probleem van de overbevolking in de wereld. Een keuze tussen een baan en kinderen vanuit ecologische overwegingen wordt dan een positieve keuze dwars tegen alle traditionele belangengroepen in. Tegen de combinatie van een baan en kinderen met een beroep op de overheid zou vanuit ecologisch standpunt zonder veel moeite negatief aangekeken kunnen worden. Want blijft de noodzaak van een baan evident, de noodzaak van kinderen niet. De noodzaak van een numerieke groei vanwege bijvoorbeeld een religieuze emancipatie is ook geen reden meer om kinderen te krijgen. Evenmin is er nog een behoefte aan kinderen als garantie voor de oude dag. De noodzaak van kinderen als toekomstig kanonnenvlees voor een oorlog is al eerder afgezworen. Wat blijft, is het persoonlijke verlangen van aanstaande ouders. Die blijven misschien denken dat juist vanwege het gebrek aan enige schaarste de bomen in Europa toch tot in de hemel blijven groeien. Zolang er aan alles overvloed is, blijft voor deze categorie mensen het onderwerp overbevolking onbespreekbaar.

Er zou op korte termijn minder gemeenschapsgeld beschikbaar moeten komen voor de voortplanting en de vervolgkosten daarop. Fiscale wetten zouden zo bijgesteld kunnen worden, dat alleenstaanden en zij die bewust kinderloos zijn, voor de wet als volkomen gelijken worden behandeld. Dus geen bevoordeling meer van getrouwde stellen en mensen met kinderen. Het hele systeem van kinderkorting, kinderregelingen via de belasting en kinderbijslag is historisch gezien immers een enorme sociale en ecologische vergissing. Dat systeem zou eigenlijk overal ter wereld onmiddellijk moeten worden bijgesteld. Afschaffing of inkrimping van de huidige voorzieningen zou de weg vrij kunnen maken voor nieuwe denkpatronen. Maar dan moeten ook de grote en machtige economische krachten, die thans in de wereld de dienst uitmaken, aangepakt worden. Zij bepalen immers dat economische groei het allerbelangrijkste is in het leven van de mens. Misschien zou een midwinterfeest zonder kerstkribbe kunnen bijdragen tot een enige bezinning over de gevolgen van kinderen krijgen.

Met betrekking tot het krijgen van kinderen geldt China als een zeer vruchtbaar voorbeeld. Toch is daar de laatste decennia sprake van een koersverandering. Je zult maar in een dergelijk land wonen met ruim 1,3 miljard medeburgers. Dan kruip je als burger toch op blote knieën naar Peking met een smeekschrift of het wellicht ietsje minder kan. En in de Chinese regering zitten met een enorme verantwoordelijkheid voor een onbeheersbaar lijkende bevolkingsproblematiek, moet ook leiden tot gewetensconflicten. De manier, waarop de huidige bevolkingspolitiek nu plaatsvindt, is niet via een democratisch proces tot stand gekomen. Maar al eerder zagen wij dat een dergelijke problematiek zich nauwelijks leent voor een democratische benadering. Dat er nu een bevolkingspolitiek in China wordt gevoerd op een totalitaire manier is in westerse ogen al te vaak onaanvaardbaar, maar het getuigt wel van een groot inzicht over wat toekomstige generaties daar te wachten staat. Want ook in China zal de stijgende welvaart de consumptie doen toenemen. En daarmee is China op termijn een welvarend land met een nog grotere afvalberg en wellicht een nog grotere consumptie per hoofd van de bevolking dan Europa en de Verenigde Staten nu al zijn. Hier in Nederland de kop in het zand steken getuigt in ieder geval niet van enig inzicht. De bereidheid de nek uit te steken en na te denken over een oplossing voor het grootste probleem zou ook Nederland sieren. Het gaat over ons, ons verbruik van eindige en niet-eindige goederen en onze berg afval. Het zou ons op zijn minst passen niet smalend te doen over het Chinese één-kindbeleid. Per slot van rekening is het land met de meeste inwoners in ieder geval bezig de basis te leggen voor het begin van minder groei dan een onbeperkt groeien. En dat is op zich al een revolutie in het menselijk denken.

Het groeivirus mens is voor de eigen soort op de lange duur veel gevaarlijker dan het vogelgriepvirus. De mens is zelf een soort epidemie die als een sacrale besmetting met een bijna onweerstaanbaar natuurgeweld onaantastbaar lijkt. De oorzaak van die epidemie is deels gelegen in het feit dat de mens als consument een middel tot rijkdom is geworden voor wie de productiemiddelen. En de consument laat dat nog steeds toe, omdat hij in deze gang van zaken - heel tegenstrijdig - zich zelf denkt te kunnen bevoordelen. Bovendien werkt het voor de producent ook verslavend. Misschien komt er nooit een einde aan de wens tot opheffing van materiële schaarste. Steeds maar meer, sneller, hoger, beter en nieuwer, dat is de leus. En degenen die in deze welvaartsomgeving minder hebben dan anderen zullen zich graag arm blijven noemen, hoe rijk ze misschien ook zijn vergeleken bij de allerarmsten in de wereld. Maar misschien is de mens vanuit zijn genen wel geprogrammeerd om altijd meer en hoger te willen. Groei is daarmee een soort drugs geworden. Wel de enige soort drugs die nog steeds niet bestreden mag worden. De massaliteit is hier een niet te verwaarlozen factor in de economische groei. Massaliteit zou terecht de grote brenger genoemd kunnen worden van onvrede en oorlog. Intussen blijft de consument hogere eisen stellen aan zijn omgeving, waardoor de complexiteit van de samenleving steeds absurdere vormen aanneemt. Het geluk en het levensritme van het menselijke wezen raken mede hierdoor verstoord.

Er worden in Nederland per dag ruim een miljoen kalmeringspillen en slaaptabletten gebruikt. Voor een deel omdat in toenemende mate onze nachtrust wordt verstoord. Meer vliegbewegingen vergroten onze welvaart, maar vliegtuiglawaai en de uitstoot van verbruikte brandstof verzieken tegelijk onze gezondheid. Hoe groter de vliegtuigen, hoe sneller de treinen, hoe duurder de auto’s, des te groter is daarmee de ontkenning van het welzijn van de individuele mens. Openbaar vervoer is ook een variant van ons onvermogen nieuwe wegen in te slaan. De afstanden worden korter en de wereld wordt op termijn één groot economisch pretpark. Onlangs is begonnen met de bouw van een nieuw soort pretpark. Het komt in Dubai en wordt zes keer zo groot als het Parijse Disneyland. Je kunt er skiën in prachtige vrieshallen met een binnentemperatuur van 10o Celsius onder nul, terwijl de buitentemperatuur in de woestijn daaromheen 50o Celsius boven nul is. Het lijkt of er geen maat meer is.

Sommigen ervaren de massaliteit, de bevolkingsgroei en de overconsumptie als een aanslag op het totale menselijke geluk en gebruiken de technische vooruitgang om het tij te keren valt. Anderen zien er juist een uitdaging in het probleem van de massaliteit het hoofd te bieden door nieuwe uitvindingen te doen die dat complexe en drukke leven alleen maar draaglijk maken. Maar daarmee kan de mens niet ontsnappen aan het veeleisende ritme van het alles overheersende sociaal-economische leven. Dat dit ten koste gaat van heel elementaire zaken als het biologische en seksuele ritme moge duidelijk zijn. En dat zijn toch de ritmes die de hoogste prioriteit zouden moeten hebben. Maar helaas zijn er ook andere opvattingen over overbevolking. De reacties van de Nederlander op het onderwerp overbevolking variëren, globaal gesteld, van grotendeels ongeïnteresseerd tot en met een weinig uitgewerkte gedachte dat ons land inderdaad te vol wordt. Het betreft mensen met angstvisioenen over de volte van ons land en de rampen die daar op korte termijn uit zullen voortvloeien. Het betreft ook mensen uit de rechts radicale sfeer, ‘eigen volk eerst’ types, met onder andere ongenuanceerde opvattingen omtrent asielzoekers en immigranten in ons land en onhaalbare oplossingen daaromtrent.
Complexer ligt de zaak bij de groep van de min of meer uitgesproken tegenstanders. Daaronder zijn ook globaal twee groepen te onderscheiden.
Ten eerst de groei- of kwaliteitsdenkers. Het betreft hier mensen, niet zelden uit de hoek van de economische wetenschappen en het bedrijfsleven, die menen dat een afname van onze bevolking tot een desastreuze achteruitgang van onze economie en onze welvaart zal leiden. Zij schotelen ons daarom allerlei modellen met technische oplossingen voor waaruit moet blijken dat we gemakkelijk nog een paar miljoen mensen meer op een verantwoorde wijze onderdak kunnen bieden. Deze groep denkt overwegend in termen van veel en meer. We moeten meer consumeren, meer mobiliteit krijgen en meer welvaart, en dit alles, merkwaardig genoeg, onverbrekelijk verbonden met meer mensen.
Vervolgens is er dan de moeilijker te omschrijven groep die elke vorm van bevolkingsbeleid al snel reflexmatig lijkt te categoriseren als een boosaardig complot tegen de minder bedeelden of minder weerbaren in onze maatschappij. Zij keren zich nadrukkelijk tegen een beleid om de bevolking in aantal terug te dringen. Hun motivatie ligt in de hoek van de maatschappelijke betrokkenheid en de emotionaliteit.
Door deze laatst genoemde groep mensen wordt er vanzelfsprekend van uitgegaan dat een bevolkingsbeleid gericht zal zijn tegen immigranten en asielzoekers in Nederland. Er zit iets merkwaardigs en onlogischs in deze reactie. Immers, het zijn juist de minder bedeelden en minder weerbaren in onze maatschappij voor wie een te vol land het meest bezwaarlijk en ook riskant is. De welgestelde lieden kunnen zich immers veel beter onttrekken aan en losmaken van die volheid. Ze kunnen beter wonen, vaker met vakantie gaan of zich een tweede huisje buitengaats permitteren etc. Als er bovendien een tijd van economische tegenspoed is - men denke bijvoorbeeld aan eerdere crises rond olie in het Midden-Oosten en aan een beperkte aanvoer van gas uit Rusland - dan zijn het juist de minder weerbaren die het ergst getroffen worden. Voor hen komt een aanzienlijke groep goed opgeleiden en goed betaalden op die direct of indirect werkzaam is bij instellingen die garen spinnen bij een toename van de behoefte aan sociale begeleiding. Deze belangengroepering vormt ook een sterke lobby voor een toename van het aantal immigranten. De excuusleden van natuurverenigingen en natuurbeherende instanties die hun broedkastjes voor vogels in hun tuin hangen, denken ook dat daarmee wat hun betreft de wereld gered is. Zij denken in feite op dezelfde manier als degenen die er vanuit gaan dat met toelating van meer nieuwkomers in ons land de problemen in Nederland en in de wereld kunnen worden opgelost. Ook zij vormen een sterke lobby voor een vol land en een volle wereld. Zij brengen een oplossing van het wereldprobleem van de overbevolking daarmee echter niet dichterbij.

De motieven van diverse groepen tegenstanders van een bevolkingsbeperking wijzen niet alleen op een gebrek aan een gezond verstand, maar hebben soms ook veel weg van een kortzichtig opportunisme. Dat is onbegrijpelijk want bij een geleidelijke afbouw van het bevolkingsaantal langs de route die de Stichting De Club Van Tien Miljoen voorstaat, zou iedereen welvaren. Niet alleen de slimmen en welgestelden die zich toch wel kunnen redden maar juist ook de minder weerbaren. Zij krijgen in een vol land minder ruimte en aandacht dan in een minder vol land. En dat staat haaks op de politieke wens van hen die de mond vol hebben van opkomen voor kwetsbare groepen in de samenleving.

Wereldbevolking

earth Geen kwestie van ethiek - Stichting de Club van Tien Miljoen